elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gummi

gummi , goemi , m , elastiek, gummi.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
gummi , gummie , de, het , 1. gummi Weckringen en binnenbanden bint van gummie (Sle) 2. gum Aj met potlood schrieft, kuj het met gummie weer oetvegen (Eev), ...weer weggommen (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gummi , gummie , zelfstandig naamwoord , de, et; gummi: rubber of gom
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gummi , gummi , van rubber gemaakt; gummi haosse – rubber handschoenen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal