elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: haammaker

haammaker , haammaker , voor zadelmaker, paardentuigmaker.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
haammaker , haammaeker , mannelijk , haammaekesj , zadelmaker.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
haammaker , haammaeker , make en reparere vánt paerdegeschiër.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
haammaker , haammaeker , zelfstandig naamwoord , haammaekers , haammaekerke , vervaardiger van paardenhamen, zadels ook zadeliër, zadelmaeker
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal