elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: haarenkelen

haarenkelen , hùrrinkele , struikelen over de eigen benen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
haarenkelen , haarénkele , haerénkelde zich, haet zich gehaarénkelt , zich haarénkele, onder het gaan de enkels door het aantikken met de klompen kneuzen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
haarenkelen , háraenkele , mitte kloompe d’n aenkel kepot stoëte. De zök blîeve dá miëstal ánne wónd plekke en duk begint ut ok nag te zwaere. As de wónd has toe is ráktem wer per oongeluk en giët de roaf d’r af. (WLD I.09, 82)
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
haarenkelen , haoringkele , pijnlijk tegen elkaar stoten van de enkels.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
haarenkelen , horènkelen , tijdens het lopen met de enkels tegen elkaar slaan.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
haarenkelen , haoreenkele , werkwoord , haoreenkelde, gehaoreenkeld , knoeselen , VB: Bié haoreenkele sjtuus te dich d'n eenkele kepot, vuuraal es te pas noûw kloompe aon hebs.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
haarenkelen , hor-enkele , enkels tegen elkaar (bij het dragen van klompen)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
haarenkelen , haorenkele , harénkele , werkwoord , tijdens het lopen de enkels tegen elkaar stoten (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
haarenkelen , aarinkele , haarinkele , aarinkeltj, aarinkeldje, geaarinkeldj, h , zich aarinkele, al lopend met klompen de enkels bezeren , Höbs se dich weer gehaarinkeldj?
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
haarenkelen , aar(h)inkele , zie haar(h)inkele
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
haarenkelen , haar(h)inkele , werkwoord , haar(h)inkeltj, haar(h)inkeldje, gehaar(h)inkeldj , zijn enkels bezeren door ze tegen elkaar te stoten als gevolg van het dragen van klompen ook aarhinkele, aarinkele
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
haarenkelen , harînkele , werkwoord , zich -, kneuzen van eigen enkels
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
haarenkelen , hòrènkele , werkwoord (zwak) , WBD (Hasselt) - (v.e.paard) de enkels kwetsen door ze onder het stappen tegen elkaar te schoppen), ook genoemd 'haorhinkele'; Henk van Rijen: kèkt is nòr men ketaaw, et hòrènkelt zo - ... het slaat steeds over; Henk van Rijen: overslaan, beentje lichten, tegen je(eigen) enkels schoppen; MTV 'Kèkt us nò-me ketaaw, ut hòrènkelt zo' - ... het slaat steeds over. WBD III.3.1:237 'haarenkelen' = bekvechten; CiT (8) 'Kektis nòme ketaaw, ut hòrenkelt zo!'; WBD III.1.2:389 'haarenkelen' = haarenkelen; De Bont: zw.ww.intr.'haarenkelen', met een v.d. voeten tegen de enkel v.d. andere voet schoppen onder het gaan (v. mensen en paarden); Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): ;  HAARENKELEN - bij 't gaan den eenen enkel tegen den anderen slaan of stooten (Kemp.)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal