elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hakselen

hakselen , hakseln , stroo tot haksel maken door middel van een een hakselsnieder; (zie: hakselbak). Zegswijs: ’k wil die wat hakseln! als men iets lachend wil afwijzen, en zooveel als: ’k zou je danken! daar pas ik voor.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hakselen , haksêln , (Oldampt, Hoogeland, enz.) = vraksêln (Westerkwartier) = op schaatsen zeer korte streken (sneeën) doen, hakkelen, ter onderscheiding van: op streken loopen (Ommelanden) = lange streken maken, zóó als men gewoon is te rijden. – hakseln wordt ook krabben en in geschrifte wel: klauwen, genoemd; zie o.a. Prov. Gron. Cour. 1886 no 35, Bijbl. Kol. 9., en zal staan voor: hakkelen, frequentatief van: hakken, in den zin van: deelen, verdeelen, waarmede ook: klauwen overeenstemt. “Het is, in ’t voorbijgaan gezegd, alsof de oude manier van “krabben” er uitgaat; de beste rijders maakten flinke, rechte streken, en de winnaar van den eersten prijs niet het minst is blijkbaar van de nieuwe methode.” – Ten opzichte van: vraksêln vergelijke men: wraksêln.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hakselen , hakselen , hakselen, ehakseld , aan kleine stukjes hakken.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
hakselen , hakseln , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. Wij bint vanmorgen mit de mesiene an het hakseln ewest (Hgv), Hij was op de deel an het hakseln (Row), Hij zit er in um te hakseln van slecht knip‑ of snijwerk (Gas) 2. omknoeien, niet opschieten (Zuidoost-Drents veengebied) Wat stao je daor te hakseln, maak toch ies ’n beetie an (Klv) 3. slecht schaatsen (Veenkoloniën, Kop van Drenthe), zie ook hakken 4. in Ik zal je wat hakseln! ik zal je, wat wou je eigenlijk (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hakselen , hakselen , hekselen , stro kort snijden.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
hakselen , hakselen , werkwoord , 1. hakselen 2. ongelukkig snijden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hakselen , heksele , werkwoord , hekselde, gehekseld , snijden , (stro snijden) heksele VB: Es te heksels daan maks te van laank sjtruu korte sjtökskes dy ste daan weer es vievoor kêns gebruke.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
hakselen , hèksele , haksele , hakselen, stro snijden
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
hakselen , hèksele , hakselen , Stroj hèksele. Stro hakselen.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
hakselen , haksele , werkwoord , hakseltj, hakseldje, gehakseldj , stro fijn snijden om als veevoer te gebuiken
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal