elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hanenpoot

hanenpoot , [brood] , haonpooten , eene soort van stoet; zie ald.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
hanenpoot , [slecht schrift] , hanepöte , (mannelijk, meervoud) , krabbels.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hanenpoot , hoanepoot , zeekraal, Salicornia herbacea, elders kraalkruid. (v. Hall: krabbestruik; v. Dale: krabbenstruik.) – Vgl. v. Dale art. hanepoot. Zie: heers.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hanenpoot , haonepoot , m , haonepote/haonepeut , haonepeutje , hanenpoot(en); slecht geschreven letter(s).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
hanenpoot , hoanepoot , hanepoot (soort onkruid)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
hanenpoot , hanepoôt , zelfstandig naamwoord de , Ook: stuk ijzer (in de vorm van een hanepoot) aan een mast. Aan deze hanepoót hangt een hijsblok.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hanenpoot , haanepoot , mannelijk , haanepeut , haanepeutje , hanepoot; slecht, lelijk schrift.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
hanenpoot , haonepòòt , zelfstandig naamwoord , koekoeksbloem. In het wild groeiende plant (Melandrium rubrum) met rode bloempjes. Dat is de dagkoekoeksbloem. De benaming geldt niet voor de avondkoekoeksbloem die witte bloempjes heeft.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
hanenpoot , hanepoot , hanenpoot , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook hanenpoot (Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. poot van een haan 2. langwerpig dun krentebroodje Een haonepoot weur allèn bakken bij bepaolde jaormarkten in Roden of Zuudlaoren (Gro), Een stuverse hanepoot (Sle), Eerder gungen wij wal hen hanepoten houwen kermisvermaak, soort koekhakken, maar dan met broodjes (Sle) 3. plant, zevenblad, Aegopodium podagraria Ik heb allemaol hanepoten in dei walle zitten (Bov), zie ook hoondervoot 4. slecht schrift, gekrabbel Die schrif mit zukke hanepoten (Oos), ...(mit) haenepoten (Dwi), Die hanepoten kan ik niet lezen (Hijk) 5. (grove) grassoort (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hanenpoot , anepoot , hanenpoot (slecht handschrift)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hanenpoot , haonepóóte , koekoeksbloemen , Haonepóóte bloeje van maoj tuuw sèptèmber, ze hébbe liest nattege grond. Koekoeksbloemen bloeien van mei tot september, ze hebben het liefst vochtige grond.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
hanenpoot , haenepote , zelfstandig naamwoord , de; 1. poot van een haan 2. (meestal mv.) slecht, onbeholpen geschreven letters 3. (meestal mv.) zevenblad 4. (meestal mv.) bep. grassoort: hanepoot 5. (mv. ) wateraardbei 6. (mv.) duizendblad 7. ijzeren stijl onder het bovenblad van de schoorsteenmantel 8. (vaak mv.) afval of uiteinden van talhout
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hanenpoot , hanepoten , haenepoten, haonepoten , 1. zevenblad (aegopodium podagraria); 2. ridderzuring (rumex obtusifolius).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
hanenpoot , hanepoeat , (mannelijk) , 1. poot van een haan 2. dagkoekoeksbloem 3. slecht handschrift
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
hanenpoot , haanderepoeët , zelfstandig naamwoord , haanderepuët , haanderepuëtje , 1. hanenpoot 2. eenmotorig vliegtuigje 3. haanderepuët – gebrekkig, onregelmatig handschrift ook hanepoeët
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
hanenpoot , hanepoeët , zelfstandig naamwoord , hanepuët , hanepuëtje , 1. hanenpoot ook haanderepoeët eenmotorig vliegtuigje 3. hanepuët – gebrekkig, onregelmatig handschrift
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal