elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: har

har , harretje , kiertje (1905).
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
har , har , Kier (De deur stond op een har.)
Bron: Feelders, Paul (1991), ‘Van gistkladder en ouwetijer. Iets over het Schiedamse dialect’, in: Scyedam, het blad van de historische vereniging 17, 4-12
har , har , zelfstandig naamwoord , harre , harrechie , [O] kier Zette deur een harrechie oop Zet de deur op een kiertje
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
har , her , zelfstandig naamwoord , herre , herke , scharnier, har; de däör is oet de her – de deur is uit het scharnier; zich oet de her gape – zich een kaakverklemming gapen ook sjerneer zie ook gehing
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal