elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: helpen

helpen , helpen , verhelpen, verbeteren, herstellen; een gebrek aan den schoen mout de schoumoaker helpen; mien jas is ’n knoop of, dat mout hōlpen (of: hulpen) wor’n. – De bedreiging: ’k zel die helpen! of: ’k zel die wel helpen! = ik zal u afrossen, gij zult de verdiende straf niet ontgaan. Moet vergeleken worden met: iemand ergens vandaan helpen = zorgen dat hij zich wegpakt. help mie moar ijs kieken! wacht maar, wij zullen zien. – Vervoeg: ik hōlp, en: ik hulp; doe hōlpet, en: - hulpet; wie hōlpen en: - hulpen, voor: hielp, hielpt, en: hielpen.
hōlp = hulp = hielp. – Ick holp ze rustigh draeghen, (Vondel.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
helpen , helpen , (sterk werkwoord, transitief) , holp, ʼeholpen , Zie de wdbb. || Hij holp me van de wal in de sloot. Wat se arbeiden holp weinig, SOETEBOOM, S. Arc. 571. – Zie een zegsw. op smid , en vgl. help.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
helpen , hulpen , hōlpen , geholpen, verholpen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
helpen  , helpe , help, hölps, hölp, holp, geholpe , helpen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
helpen , helpm , werkwoord, sterk , 1e persoon enkelvoud verleden tijd: hulp, verleden deelwoord: ehùlpn , helpen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
helpen , helpe , sterk werkwoord , Helpen. De vervoeging luidt: helpe – hielp/holp – holpen. Zegswijze help maar koike, let maar op, wat ik je brom. | Hai zel wel weer te laat komme, help maar koike.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
helpen , helpe , hólp, haet of is gehólpe , helpen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
helpen , hèlpe , werkwoord , helpen. Als iemand zegt: Wocht, ’k zal oe es èfkes hèlpe! kan dat letterlijk bedoeld zijn, maar ’t kan ook een dreigende betekenis hebben als ouders hun onwillige kinderen aansporen.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
helpen , hölpen , (helpen), hulp, ehölpen , helpen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
helpen , helpen , hölpen , Ook hölpen (Zuidwest-Drenthe, zuid) = helpen Aj mit ziekte zit, zeg het dan, dan kom ik oe helpen (Ruw), Wacht maor even, dan zal ik je even helpen (Dro), Dat kan ik ok niet helpen daar kan ik ook niks aan doen (Pdh), Hij het hom oet de stront hölpen uit de nesten (Row), Aj dat nog een keer doet, dan za’k oe helpen krijg je er van langs (Zdw), Hie is vanmiddag hölpen geopereerd (Sle), Dat spul huulp merakel (Bor), Het helpt heur niks ze heeft er geen baat bij (Bro), Wacht mor even, ik zal je het er wal even ophelpen zorgen dat het erop komt (Emm), Zij hölp meneer as tie piste als typiste, grapje (Mep) *Helpen is dokterswark (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
helpen , elpen , elpt, ielp, ielpen, e-ölpen , helpen. Ik zal oe evenpies elpen ‘ik zal je even helpen’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
helpen , helpm , ik helpe / heulpe; iej help / heulpm; hie help / heulp; wie help / heulpm , helpen. Hie heulp mien. Ik heb ’m ehölpm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
helpen , hellepe , werkwoord , hellep, hielep, gehollepe , 1. opereren Hij is venochend om tien uur gehollepe Hij is vanmorgen om tien uur geopereerd 2. castreren van honden en katten Oñze kater is gehollepe Onze kater is gecastreerd Zie ook lubbe, snije
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
helpen , hélpe , zich hélpe , werkwoord , hoülp, gehoülpe , helpen , (afw. vormen o.t.t, dich huelps, hër huelp) VB: Kên ich uch hélpe ?; (zich redden); zich hélpe. Zw: Zich neet kênne hélpe: gebrekkig zijn; opereren hélpe (zie 'helpen'). Vb: Ich wör de volgende wëk gehoülpe aon m'nne kneej.; geld (heb je nog genoeg geld ?) kêns te dich nog hélpe?; dalik hélp ich dich gewaarschuwd (je bent gewaarschuwd !) dalik hélp ich dich!; gehoülpe geopereerd gehoülpe VB: Ze ês dizze muerge gehoülpe en aal gèit Goddaank good.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
helpen , ellepe , helpen.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
helpen , hèlpe , hèèlpe , hólp gehólpe , helpen, verhelpen , Ik kan ’t nie hèlpe. Ik kan het niet helpen.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
helpen , helpe , ich help, doe hulps, hae hulptj, hólp, gehólpe< , helpen , De lèste man de zak op helpe: als allerlaatste weggaan. Det help ich dich hoeape: dat hoop ik ook. Det hulptj niks. Ein hendje helpe. Mètte stek kan ich mich good helpe mèt loupe. Wach(t) mer, ich zal dich helpe, menke!: dreiging. Zich laote helpe: zich laten behandelen.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
helpen , helpe , werkwoord , hulptj, hólp, gehólpe , 1. helpen; emes helpe van bèd op struë – iemand helpen van de wal in de sloot (eertijds werd iemand die overleden was, verlegd van het sterfbed op een laag geschoond stro, zie ook sjaûf); mót ich dich helpe? – door ouders geslaakte en niet zachtzinnig bedoelde kreet als kinderen niet snel genoeg gevolg gaven aan hun verbod/gebod 2. behandelen, met name opereren in het ziekenhuis 3. castreren/steriliseren (van dieren)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
helpen , helpe , helpe, zich , werkwoord , hulptj, hólp, gehólpe , 1. financieel onafhankelijk zijn: hae kan zich good helpe – hij zit goed in de slappe was 2. zichzelf redden uit een benarde situatie: hae wètj zich neet te helpe – hij kan zich niet alleen redden
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
helpen , hêlpe , werkwoord , hölptj/hêlptj, hôlp/heelp, gehôlpe , helpen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
helpen , hellepe , water geven; ’k hep gistere de plante nog gehollepe
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
helpen , gehollepe , ze wor van d’n emmer gehollepe, van de bijstand leven; (afgeleid van: ze wor van d'n arme gehollepe)
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
helpen , hèllepe , hèlpe , sterk werkwoord , hèllepe - holp - geholpe , helpen; – hèlpe - geholpe; GD94 hij heej geholpe meej de waas; Boutkan: (blz.96) ze heetem irst zen gèld hèllepen opmaoke; Boutkan: hèllepe - hielep - gehóllepe; Cees Robben – 10 (blz. 27) 'dan hellep't nie'; hielep; verleden tijd van ‘hèlpe’; hielp; Robben speelt in deze prent met woorden waarin een zogenaamde svarabhaktivocaal wordt gehoord in de spreektaal: de invoeging van de stomme ‘e’ tussen twee letters (door Robben in ‘hielup’ als ‘u’ geschreven). Cees Robben - Cees Robben – Ik was vruuger gewoon mar mèèd... Mar ik hielup in ’t huishaauwe net zôô veul as twee hullepe na vort hellepe... (19811002); hòlp; hielp; Henk van Rijen: 'K-hòllep un òn beeter wèèrek; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):  HOLP - 2e hoofdvorm van 'helpen'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal