elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hitsen

hitsen , hissen , voor hitsen, ophitsen, aanzetten, aanjagen, aanhitsen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
hitsen , hissen , het his! roepen, (zie aldaar); anhissen, ophissen, fig. voor: opstoken, opruien = aanhitsen, ophitsen. Kil. hisschen, hussen, hetzen = aandrijven; Old. Landr. V, 67: Die een beest met voorsate hesset tot enigen misdaet, weerdt niet anders geholden, als of hij ’t selven gedaen hadde; Ommel. Landr. VII, 11, 12: hiss = his! Zuid-Limburg hisse = ophitsen; Oostfriesch hissen = aanhitsen van honden tegen elkander; Westfaalsch hissen, Middel-Nederduitsch hissen, hitsen, hessen, van het Oud-Hoogduitsche hazjan, hezzan, Hoogduitsch Middel-Hoogduitsch hetzen, en dit van het Oud-Hoogduitsche, haz = haat. – Oudtijds hissen, voor: hitsen; ook bij Hooft komt: aanhissen, voor. Zie ook ten Doornk. art. hissen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hitsen , -hassen , (zwak werkwoord) , vgl. ophassen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hitsen , hissen , hitsen. Met ‘his hoond’ trachten jongens een hond te sarren.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hitsen , hitse , hitsde, haet gehits , heet stoken.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
hitsen , hissen , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = aanhitsen, ophitsen, vooral van een hond Dei hond is niet gauw kwaod dan mot e his worden (Bco), Die jonges bint weer met de hond an het hissen (Dro), Hie lig aaid te hissen die vervelende kerel (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hitsen , hissen , 1) ophitsen (b.v. een hond); 2) opjagen; 3) op hopen drijven (b.v. van sneeuw). de weind hè de sneùw aolling ovver de heg hèn gehist, de heg ligt bedolven onder de opgehoopte sneeuw.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
hitsen , issen , (Gunninks woordenlijst van 1908) hitsen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hitsen , hissn , ophitsen. Onze GaitJan zal oe de hond wel is an hissn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
hitsen , hisse , ophitsen , És'se mén'nen hond nie hisse, is't wiidût de gemaksten hond ût de buurt. Als ze mijn hond niet ophitsen, is het veruit de liefste hond uit de buurt.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
hitsen , hissen , werkwoord , aanhitsen, ophitsen (van een hond)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hitsen , hisse , werkwoord , hisde, gehis , ophitsen , aanzetten tot; hisse VB: Ze hisden d'n hoond tiëngen 'm op.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
hitsen , hisse , opjagen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
hitsen , [tekeergaan] , hiesen , 1. tekeergaan; 2. opjutten; 3. snel doen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
hitsen , hisse , werkwoord , ophitsen (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
hitsen , hètse , werkwoord , hètsjtj, hètsjdje, gehètjsdj , aansporen om iets te doen: es se kinjer get verbuts, den hèts se het häôr – als je kinderen iets verbiedt, spoor je ze juist aan om het verbodene te doen (Duits: hetzen)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
hitsen , hitse , werkwoord , warmte geven
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
hitsen , hisse , werkwoord (zwak) , hisse - histe - gehist , ophitsen; C. Verhoeven: HISSEN overgankelijk werkwoord - ophitsen, vooral v.e. hond gezegd; de hissende kreet is 'hieskies’. De Bont: hisse(n) zw.ww.tr. - (aan)hitsen; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): ;  HISSEN, HUSSEN - hitsen, te Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):  'kissen'. Hij huste zijnen hond op mij. WNT HISSEN = hitsen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal