elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hobbezak

hobbezak , hobbezak , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Iemand die lomp, onbehouwen in zijn bewegingen is, of zoutzakkig, onbehaaglijk, sukkelig loopt. Ook iemand die er raar insteekt, die kleren aanheeft, welke niet passen. || ʼt Is ʼen hobbezak. Wat ben-je ʼen hobbezak (tot een onbehouwen meisje). – De Hobbesak was ook de naam van een molen te Zaandijk, die zeer lomp van model was. – In de 17de e. komt het woord als geslachtsnaam voor. || Pieter Simonsz. Hobbesack (schepen van Wormer, a° 1606), LAMS 539. – KIL. vermeldt: “hob-sacken, inepte saltare aut tripudiare, dare motus incompositosˮ d.i. onzinnig dansen en springen, onbeholpen bewegingen maken. – Het woord behoort bij hobben, heen en weer bewegen; vgl. hobbekaas en hobbig. Zie hobbezakkig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hobbezak , hobbezak , hobbelzak , scheldwoord. [Box]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
hobbezak , hobbezak , zelfstandig naamwoord de , 1. Te ruim vallend of slordig, onelegant kledingstuk. 2. Persoon die slordig, onelegant gekleed gaat of persoon met een lomp, log voorkomen. Het element ‘hobbe’ hoort bij een oud werkwoord hobben, variant van hobbelen = heen en weer gaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hobbezak , hobbezak , hobzak , de , Ook hobzak (Kop van Drenthe) = 1. veel te ruim zittend kledingstuk 2. dik persoon, meestal een vrouw (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe) Geef kinder alle dagen maor patat dan wordt het vanzölf wal hobbezakken (Hijk), zie ook hobbelzak 3. oud, stijf paard (Zuidwest-Drenthe, zuid) 4. zak met koopwaar (Zuidwest-Drenthe, zuid) Iene die mit negosie leup leup mit de hobbezak op de nekke (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hobbezak , zobbezak , slordig iemand.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
hobbezak , hobbezak , zelfstandig naamwoord , de; 1. grote, grofgebouwde vrouwspersoon 2. te wijd kledingstuk 3. iemand die z’n kleren te wijd en voddig om z’n lichaam heeft
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hobbezak , hoebezak , zelfstandig naamwoord , hoebezek , hoebezekske , 1. hobbezak, iemand die vormeloze kleren draagt die veel te ruim zitten 2. de te ruimzittende kleding
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal