elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hoest

hoest , hôst , (mannelijk) , hoest.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hoest , hoest , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , vgl. broekhoest.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hoest , houst , mannelijk , hoest
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hoest , hoos , zelfstandig naamwoord, mannelijk , hoest
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hoest , hous , mannelijk , huiske , hoest. ẹ Leelik huiske: kwaadaardige hoestbuien.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
hoest , hoest , houst, hooust, hoost , de , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook houst (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), hooust (Midden-Drenthe), hoost (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = hoest Hie hef ’n geweldige dreuge hoest an zuk (Sle), Wat hef die een nare hoest aover hum (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hoest , hoest , 1) schep om varkensvoer kort te maken. zie ook oest; 2) kooien hoest, kinkhoest.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
hoest , oest , ôêst , hoest. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ôêst
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hoest , hoos , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , heuske , hoest , VB: De hebs e gemejn heuske, ich zoûw toch mer 'ns bié d'n dokter langs goën.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
hoest , koojen hoest , kinkhoest
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
hoest , oest , (zelfstandig naamwoord) , oesien , hoest.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hoest , hoos , hoost , (mannelijk) ,  heusje/heuske , hoest , Gaef ’m ein hoos(t)babbeltje.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
hoest , [hoop hooi] , hoes , hoest , (vrouwelijk) , hoeste , een grote hoop hooi, zie ook opper , Hae zètj ’t hui op hoeste.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
hoest , hoost , zelfstandig naamwoord , heusjtje , hoest; ein druëg heusjtje – een droge hoest, rokershoest
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal