elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: Holland

Holland , Holland in last! , Holland in nood! , wordt alleen schertsend gezegd wanneer door eene of andere omstandigheid verlegenheid en daardoor wanorde ontstaat, wanneer men zich door eene kleinigheid van de wijs laat brengen en de hulp van anderen inroept. Oostfriesch, Holsteinsch Nu is Holland in nood = nu ziet het er erg uit, nu is het moeilijk uit eigene macht te helpen. (v. Dale: Holland is in last = er is groote nood.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
Holland , Hollanjdj , 1. Holland 2. Nederland met uitzondering van Limburg
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
Holland , de Holland , stoomboot op het droge; koekjestrommel; bonbonnière; hoedendoos met een pijp erop. Dat waren in en na 1939 enkele bijnamen, die onder de Dordtse bevolking de ronde deden over het hoofdkantoor van de Brandverzekeringsmaatschappij ‘Holland van 1859’ aan de Burgemeester de Raadtsingel, langs de spoorlijn naar Rotterdam. De architect van het gebouw was Sybold van Ravesteyn, die ook in ’39-’40 Kunstmin heeft herbouwd. De beeldengroep is van Van Kuilenberg. Later ging de N.V. Holland, met inmiddels nieuwbouw erachter (ontwerp van H. Oud), over naar de De Utrecht (AMEV) en in de tachtiger jaren werd het hoofdgebouw omgevormd tot een supermarkt
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal