elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hoor

hoor , heur , hoor, als stopwoord, of tot versterking van: ja; joa heur! = ’t is wel degelijk zoo, wat gij zegt, of: wat ik beweer. Ook, om iets met nadruk te ontkennen: nee, heur! was ie doar ook bie? = daarin doe ik niet mee, zoo iets moet gij niet van mij denken: goud, heur! = best! = met genoegen zal ik aan uw verlangen voldoen. Die uitdrukkingen staan altijd op zich zelf.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hoor , hoor , stopwoord; zéér algemeen gebruikelijk. || Hoor, oud, nou moet je ’et niet oververtellen. Doen ’et maar gerust hoor. Ik zel ’t niet zeggen, hoor. Ja, hoor. Nou, hoor.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hoor , heur , gehorig
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
hoor , hoor , oor, ’oor , zinsafsluitend stopwoordje, ontstaan uit ‘hoor je (me)’. | Dag, ’oor! Niet doen, ’oor!
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hoor , hèur , hor, heur , tussenwerpsel , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook hor (Midden-Drenthe), heur (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = hoor Nait doun heur! (Vtm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hoor , heur , tussenwerpsel , hoor, bijv. Maek je mar niet ongerust, heur!
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hoor , wur , hoor. b.v. “jao wur”, “ja hoor en “naaje wur”, “nee hoor”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
hoor , wor , nietwaar? / hoor (stopwoord) , das nie waor, wor = dat is niet waar, hoor-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
hoor , hurre , hoor , Tis goewd, hurre! Het is goed, hoor!
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
hoor , hörre , tussenwerpsel , hoor (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
hoor , huër , gein huër! – geen reactie, de aangesproken persoon reageert niet
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
hoor , heure , heure, heurre, hòr, hur, hurre , tussenwerpsel , "hoor, hoor je, hoor je me; zie zie ook hurre; Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'heure' naast 'heurre' passim; In den regel in finale positie. De dubbele r bij Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): accentueert vermoedelijk de krimpende stamklinker, zodat de schrijfwijze 'hurre' de reële uitspraak benadert. ...As ze nie gaaw komt dan begiene me mar zonder heur, heurre!"" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton ‘Bad Baozel’, 8 afl. in NTC 31-12-1938 – 18-2-1939); ""Ik smeer 'm heurre! ...” (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton ‘Bad Baozel’, 8 afl. in NTC 31-12-1938 – 18-2-1939); ...en nie verongelukken, heurre! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Oome Teun in den trein’; NTC 16-9-1939); Naaw is de maot vol, heurre. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; NTC 10-12-1938); Goddaank et oratorium waar opgevoerd - et waar veurbij, heurre! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 12; NTC 17-12-1938) ; Kzot nie trugwille, hörre, dieje tèèd... (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009); hòr; hoor!; Interview met de heer De Kok (1978) – Schoenmaaker van beroep! Mar ik hèb nòg meer fakke gehad hòr!” (transcriptie Hans Hessels 2014; hur; hoor; Henk van Rijen: khèb hum deur, hur! - ik heb hem door, hoor; zie ook heure; 't Is zund hurre, want daor hedde wè gemist. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929); Henk van Rijen: dès ginnen onbeschaaje meens, hurre; Henk van Rijen: ge slot nie meej dè zwiemke, hurre; Jan Naaijkens, Dès Jan Naaijkens - Dè's Biks – - 1992 – ; (1992): hurre tussenwerpsel - hoor je, versta je"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal