elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: Horn

horn , horn , zelfstandig naamwoord de , 1. Hoek, in het water vooruitspringend stuk land. Eigenlijk land dat zich als een hoorn in het water priemt. Het element horn vinden we in plaatsnamen als Barsingerhorn, Dirkshorn, Kolhorn enz. Vgl. ook de naam Hoorn, de stad die ontstaan is op een vooruitspringende hoek in de Zuiderzee. 2. Laag land in een uithoek van een polder. 3. Weg die een hoek vormt met de hoofdweg. Vgl. de straatnaam De Horn in Lutjebroek.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
Horn , heur , Horn.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
horn , hörn , de , hörns , (Veenkoloniën, Kop van Drenthe) = hoek(je) Wai huifden allein mor wat houken en hörns anrieven en zo (Row), Hij zocht an alle hörns en houken in alle hoeken en gaten (N:be:Rod), Zij wonen in een mooie hörn (Ros)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
horn , hornties , zelfstandig naamwoord , mv.; gaatjes, in in alle hoekies en hornties in alle hoeken en gaten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
Horn , [toponiem] , Häör , Horn
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
Horn , Häör , Horn
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
Horn , Häör , Horn
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal