elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: jaloers

jaloers , jallours , Jaloers.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
jaloers  , sjaloers , jaloers.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
jaloers , sjaloes , sjeloes , bijvoeglijk naamwoord , sjaloezer, sjaloeste , jaloers: Eine gaap is sjaloes: gapen doet gapen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
jaloers , sjeloers , jaloers , Ge moet nie zó sjeloers zén óp 'n ander, de mènse kunne bèèter sjeloers zén óp èùw. Je moet niet zo jaloers zijn op een ander, de mensen kunnen beter jaloers zijn op jou.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
jaloers , jeloers , bijvoeglijk naamwoord , jaloers
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
jaloers , jeloers , bijvoeglijk naamwoord , jaloers, afgunstig
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
jaloers , zjeloes , bijvoeglijk naamwoord , jaloers , zjeloes Zw: Zoe zjeloes wie e véreke
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
jaloers , sjeloers , jaloers.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
jaloers , jeloers , (bijvoeglijk naamwoord) , jaloers.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
jaloers , sjeloers , bijvoeglijk naamwoord , jaloers (Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
jaloers , sjaloes , sjeloes , jaloers , Ein sjeloeze prie.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
jaloers , sjeloes , bijvoeglijk naamwoord , sjeloeze , jaloers ook zjeloes
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
jaloers , zjeloes , bijvoeglijk naamwoord , zjeloese , jaloers
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
jaloers , zjeloers , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , jaloers
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
jaloers , sjeloers , seloers , bijvoeglijk naamwoord , jaloers; uit Frans: jaloux; dieje pestoor is zeker sjeloers... (Nel Timmermans; Ons moeder d’re kerkgang; CuBra; 200?); Dan waare de aander kènder aatij sjeloers op ons, dè wij bij de snoepkraome [van het Hasselplein] wonde en hullie nie. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009); Henk van Rijen - seloers
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal