elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: jood

Jood , Jödde , Jood.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
jood , jö̀dde , jö̀rre , (mannelijk) , jood.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
jood , jö̀dde , (mannelijk) , jood.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
jood , jeud , jeude , jood; ’t is net offe ’n jeud vermoord het ( – of hij een jood vermoord heeft), zegt men schertsend van iemand die veel kopergeld in den zak heeft, doar ken jà gijn jeud (of: jeude) ’t lachen om loaten = daar moet elk wel om lachen; “dat ken jà gijn jeude volholden.” – Gewoonlijk voegt men het achter den voornaam van mannen: Haiman-, Cōmprecht-, Levie-, Hartog-, Benjiminjeud, enz., en vóór dien van vrouwen: Jeudenbet (– Rebecca), Jeudenkloar (– Klaartje), enz. – van jeuden ofkomst wezen = van Joodsche afkomst zijn.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
jood , joed , jood. Dao haet dich einen joed gespejd, een gat in de kous.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
Jood , Jödde , Jörre , Jood
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
jood , jùrre , zelfstandig naamwoord, mannelijk , jùdn , jùdken , jood
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
jood , jud , m , jood; ’ne jud gehaaide, slimme onderhandelaar of verkoper
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
jood , jeud , jeude , 1. Jood. Ze koomm der op aanvlaign as jeudn op ’n dood peerd = zij haasten zich, om er ’t eerst bij te zijn. ’t Is net òfst ’n jeud vermoord hèst, zegswijze als iem. veel kopergeld in de zak heeft. Doar kin ja gain jeud ’t laagn om lòtn = daar moet je wel om lachen. Dat kin ja gain jeude volhòln, begriepm. Haaiman Jeude = de Jood Heiman. Hai is van Jeudn òfkomst = van Joodse afkomst. As Poaske op Zoaterdag komt en Jeudn spek eetn = as Jeudn spek eetn = met St. Juttemis. Kloagn as ’n aarme jeud. Dat hèlpt zoveul, of ter ’n jeude in de hèl smeetn wordt (Pekela). Dij is aan jeud verkòft (Hl.) = die komt bedrogen uit. ’t Is net òf ter ’n Jeud verròpt is = wat ziet het er hier wanordelijk uit! (Hl.) Twij jeudn waitn wat ain bril kost. Scheldversje: “Joppie, Joppie Jeude, / Wat hèstoe in dien zak? / - ’n Moatje jenever / En ’n sloatje tebak.” 2. een gemene vent; een bedrieger. Ik haar nait docht, dast zoo’n òl Jeude waste! 3. Kinder speuln op ol Jeude = het Harlekijnspel.
Bron: Meijer, J. (1984). Tolk van ’t Olle Volk – Joods Supplement op het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan. Heemstede
jood , joôd , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze zoek voor moin maar ’n ouwe joôd, ik bedank voor de eer. Verkleinvorm joôdje, in de zegswijze ’n tik van ’t joôdje hewwe, getikt zijn, gek zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
jood , jut , mannelijk , judde , jutje , jood. “Haet dich ’ne jut oppẹ bóks gesjpiet?” vraagt men, als iemand met een gat in zijn broek rondloopt. Dat is 'ne jut: katholiek, die ’s zondags niet naar de kerk gaat. Es dich ’ne jut gėt gunt, gunt er dich twee knėchskes: perso
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
jood , jood , zelfstandig naamwoord , jood. Voor de holocaust werd “jood” vaker als scheldwoord of anderszins denigrerend gebruikt dan na de oorlog gelukkig het geval is. Als iemand ’n ander spuwde werd ie uitgescholden voor vùile jood! (Ook: jòd.) ’n Voddekoopman was ‘ne toddejood. Meestal werd jood in ongunstige zin gebruikt. D’n dieje! Dè’s ’nen échte jood! Joodevèt is druivesuiker. Kinderen die een bril droegen werden uitgescholden voor brillejood.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
jood , jeude , jood.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
jood , jeude , jood, judden- , de , jeuden , Ook jood (Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën), in samenstellingen ook judden- (Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. jood Der bint heel wat jeuden um ekomen in de oorlog (Hol), Een christenjeud is nog minder as een echte jeud (Eev), Hij is zo slim as een jeude (Bov), Alle joden, wat zallen wie nou beleven (Erf), Dat goed stinkt nog naor de jeude is nog nieuw, ruikt naar de winkel (Hol), Hie kik oet as een aol jeude niet erg fris (Sle), Hij rouwt um een jeude heeft baard van enkele dagen (Pdh), ook Hie hef een baord as een aole jeude (Sle), Kom niet bij die put, der zit een jeude in als kinderschrik, z. ook boesjeude (Sle), Oh, nim daor mor een jeude veur als er een rotklus geklaard moest worden (Anl), Kom der mar in as het gien jeude is (Bov), Daor kan gien jeude wat oet wies worden niemand (Bor), Ik heb er net zoveul zin an as een jeude an hangen geen zin (Eli), Moe der löp een jeude over het ies d.i. wij kunnen nu gaan schaatsen. Kinderen mochten pas op het ijs, als er een jood van de ene kant naar de ander over het ijs was gelopen (Ass) 2. (joodse) koopman De jeude is der west hij hef nog een koe van mij kocht (Klv), Een goeie jeude vrag een keer zoveul as e hebben wil (Coe) 3. onbetrouwbaar persoon Hol hum in de gaten, want het is een jeude (Sti), Bis nog minder as een jeude (Eel), Dai koopman is een echte jeude (Vtm) 4. soort steekmug (Zuidwest-Drenthe, zuid) Jeuden bint wat lange grieze vliegen, mar zij kunt gemien steken (Geb) *Aj een jeude bedondern willen, moej een Drentse boer metnemen (Row), ook ...een paar Drentse boeren... (Sle); Jeude wat jeukt mie de neuze. Jeukt die de neuze ook zoas mie de neuze jeukt, jeude gezegd vanwege de kans op verspreking (Vtm); Twee jeuden weet wal wat ien bril kost (Hoh), zie ook bij jeudtien, dubbeltien
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
jood , jòd , 1) jood; 2) sjacheraar.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
jood , jood , (Gunninks woordenlijst van 1908) jood
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
Jood , Jeutien , Joodje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
jood , jood , jeude , zelfstandig naamwoord , de; 1. lid van het Joodse volk, Israëliet 2. joodse handelaar 3. onbetrouwbare persoon, vooral: inzake de handel 4. kleine potkachel (vaak in de vorm jotien)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
jood , joed , jud , zelfstandig naamwoord , joede , judsje , jood , joed, judsje; jud
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
jood , jôd , 1. jood; 2. sjacheraar
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
jood , jeude , (zelfstandig naamwoord) , jeutien , jood.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
jood , jód , jood
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
jood , joed , (mannelijk) , joede , juudje , jood , Det is ei juudje.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
jood , joed , zelfstandig naamwoord , joede , juutje , jood
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
jood , joed , zelfstandig naamwoord, mannelijk , joede , joedje , gierigaard, handelaar, sluwe, jood, pos (visje)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
jood , jôod , zelfstandig naamwoord , jodje , jood; Dirk Boutkan (1996) - plur.: joode (blz.50); WBD III.1.4:86 'jood' = bedrieger; jodje; verkleinwoord; van 'jood'; joodje; Audio-opname 1978 – Dhr. Bertens – “…dan hadde nòg teegenoover de pròttestante kèrk in de Zoomerstraot….. daor wonde zogezeej ok en stèl Jodjes èn die stèl Jodjes dinne niks as in huije èn in bêene èn ze kòchte zak zègge de gèète die verkòchte ze wir èn zôo….” (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels zie Klik hier voor audiofragment); judje; joodje, kleine jood; Bijnamenboek Karel de Beer - judje Moerèl = dokter Salomon Moerel (blz.55)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal