elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kam

kam , kaam , hanekam.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kam , kam , (mannelijk) , kam.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
kam , kamme , (vrouwelijk) , kammen , kam.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kam , kam , in: ’n kam kriegen = eene beschamende berisping moeten horen; ook – boos worden, (bij v. Dale: een rooden kam krijgen); iemand ’n kam geven = over de kam houen (= ’n ofjacht geven, over de repel hoalen) = scherpe woorden toevoegen, bitse aanmerkingen maken, (Nedersaksisch Enen aver ’n kamm hauen); mit de volle kam stoan blieven = mit de volle kam noa de mart goan niet één keer een streepje van de boom (die als eene kam geteekend wordt), uitgewischt (geveegd) hebben. Omdat zulk een boom veelal met krijt op de tafel of op eene lei wordt gemaakt, spreekt men van: vegen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kam , kam , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb.. – 1) Het getande werktuig; vgl. pietekam, tistkam. 2) Weverskam. – Kammen slaan, de kammen gereedmaken. || Me man is an ’et kammen slaan. – Evenzo in Vlaand. een kam slaan (DE BO2, 427). – Vgl. kamtouw. 3) Tand van een molenwiel, houten blokje dat dwars door de rand van het wiel wordt gestoken. Zie verder op dol, en vgl. de wdbb. – Zegsw. ’k Heb last van me kammen en dollen, ik heb kiespijn. – Vgl. boetkam en kammen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kam  , kamp , kem , kemke , kam.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kam , kaom , kam van een haan. zie: reikaom
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kam , kam , ze niet over ene kam droog scheren, hetzelfde als: ze niet over ene kam scheren (1905).
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
kam , koam , zelfstandig naamwoord , kùeme , kùemken , 1 haarkam, 2 hanekam, 3 smal reepje veen tussen uitgravingen, 4 richel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kam , kam , kem , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze achter de kam stroike, 1. Aanhalen, omhelzen. 2. Vleien. Verouderde variant kem.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kam , kamp , mannelijk , kem , kemke , haarkam.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kam , kamme , kam.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kam , kiempien , kiemkammegien, kiemkaompien , het , kiempies , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook kiemkammegien (Zuidoost-Drents zandgebied), kiemkaompien (Zuidoost-Drents zandgebied) = luizenkam Mien moe mus mij vaak kiemen met het kiemkaompien want ik had nog wal ies loezen (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kam , kam , kamme, kame, kaom, kaome , de, het , kammen , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook kamme (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniën), kame (Veenkoloniën), in bet. 2. ook kaom (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) en kaome (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, maar Zuidwest-Drenthe, zuid ook in bet. 3.) = 1. haarkam Hej de kam in buus jong Dan meuj hom nog wel ies even deur het haor trekken (Vri), (fig.) Zij wordt allemaole aover iene kamme eschèuren gelijk behandeld (Dwij), Een schilder gebroekte een kam bij het iekenholt kleuren betr. stalen kam, ong. 10 cm. lang en van verschillende breedtes (Sle) 2. kam op de kop van pluimvee Een hane hef een groter kaome as een kiepe (Ruw), De kaome is zo slap en bleek zul de haene wel good wezen? (Die), Die kukens kriegt al kam (Pdh), (fig.) Zij pikt menare aordig in de kaome ze hebben onenigheid (Hgv), Hij haar het kammegie zo rood hij haar aal een druppie had was rood in het gezicht door de drank (Row), Doe heufst mij aal niet langer over het kam houwen plagen (Gie) 3. strookje gras dat is blijven staan bij het maaien (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe) Aj niet egaal mèeit blieft er hiele kammen staon (Sle), Kammen is hoog begunnen in het midden leeg en dan weer umhoog (Bov), Het bint allemaole kammen dat meien van oe dat is nog niks (Eli), Hij meeit kaomen (Ruw), ...mit een lange kam (Bco), zie ook zompen 4. kamvormig onderdeel van ploeg, waarmee deze hoger of lager kan worden gezet (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) Je kunt die ploeg een kam verzetten dan giet het dieper of scholler (Klv) 5. weefkam, waarmee je bij het weven de inslag aandrukt (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) 6. kam van een viool De kamme van de viole is eknapt en nou kan ik de snaoren der niet aover spannen (Bro) 7. kamrad van een karnmolen (Zuidwest-Drenthe, zuid) 8. tros bananen (Zuidwest-Drenthe, zuid)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kam , kaam , kam. mv. kèèm. verkl. kèmke.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kam , kamme , kaome , 1. (haar)kam; 2. kam van een kip. Ook: kaome (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kam , kaome , kamme , (Kampereiland, Kamperveen) kam van een kip. Ook: kamme (Kampen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kam , kamme , kaom, kaome, kam, kem, kemme , zelfstandig naamwoord , de; 1. kam om het hoofdhaar mee te kammen 2. strookje gras dat bij het maaien blijft staan 3. kam op een snaarinstrument 4. weefkam, ook: kam bij het spinnen 5. wolkam 6. onderdeel van een ploeg met behulp waarvan men deze verstelt 7. de korte haren op de nek van het paard 8. opstaande rand, plooirand op een ouderwetse muts 9. kamrad van een molen 10. kamvormige tros, bijv. een kamme benanen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kam , kemmen , zelfstandig naamwoord , mv.; kamrad, kamraderen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kam , kaom , kaome, kem, kemme, kam, kamme , zelfstandig naamwoord , de; 1. kam op de kop van een hoendervogel 2. ijzer met gaten, met behulp waarvan men de ploeg in een andere stand kon zetten door een bep. haak in een ander gat te plaatsen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kam , kaamp , zelfstandig naamwoord mannelijk , kem , kemke , kam , VB: Hoël 'ns 'nne kaamp doer d'n haor, de zuús oét wie 'nne wolkemmer
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kam , kaam , kèèm , kam
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kam , kamme , (zelfstandig naamwoord) , kammegien , kam.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kam , kèmke , kammetje , Hédde éfkes ’n kèmke vur mén? Heb je even een kammetje voor mij?, Ge kant èn de kèmkes van óns kuikes zien of ’t hántjes zén. Je kunt aan de kammetjes van onze kuikens zien of het haantjes zijn.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kam , kem , haarkam; kemmen, kammen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kam , kamp , (mannelijk) , kem , kemke , 1. haarkam 2. kamp , Alles uuever eine kamp sjaere. Zich de haor keime mèt eine kamp. Vreuger ginge wae mèt Jong Nederland en de Gidsen op kamp.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kam , kamp , zelfstandig naamwoord , kem , kemke , kam, toiletartikel
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kam , kâmp , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kem , kemke , kam, ploegonderdeel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kam , keîm , zelfstandig naamwoord, mannelijk , keîme , keimke , kam (kindertaal)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kam , kaam , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , kame , kaardenbol; (Ospels) wolkam
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kam , kam , zelfstandig naamwoord , kèmke , kam; Dialectenquête 1876 - hoanekaam; kèmke; verkleinwoord; kammetje; verkleinde vorm van 'kam', met umlaut; Cees Robben - ...wol mee röcht.. of wol mee kemkes... (19560630); H. van Rijen (1988): hèdde ieveraans mèn kèmke zien ligge?; Stadsnieuws:  Hij heej zo wèèneg haor dèttie en fèèn kèmke nôodeg heej om ze te vèène (290309) + (020610); CiT (89) 'Hedd' ieveraans m'n kemke zien ligge?'; Bont kä.m?(n) zw.ww.tr.+intr. 'keimmen' - kammen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
kam , kaam , kam
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal