elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kameel

kameel  , kemiël , kameel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kameel , kẹemeel , mannelijk , kẹmeele , kẹmeelke , kameel; hufter.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kameel , kemel , aanduiding voor een dier dat zeer groot is.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
kameel , kamiel , kameel, kameil, kemeel , de , kamielen , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook kameel (N, Zuid-Drenthe), kameil (Kop van Drenthe), kemeel (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = 1. kameel Zo dostig as een kameel (Ruw), Die har een pokkel as een kameel (Anl) 2. grote, lompe kerel, groot dier (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Wat een kemeel van een kerel (Eri), ...van een peerd (Nor) *Waor gao je hen warken, varken? Naor de Peel, kameel (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kameel , kimmel , kameel.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kameel , kemeel , kemele , kameel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kemele
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kameel , kemeel , kameel.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kameel , kemeel , kemiel , zelfstandig naamwoord , de; 1. kameel 2. lomp iemand 3. grote, slecht gebouwde kerel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kameel , kameel , këmel , zelfstandig naamwoord mannelijk , kameele , kameelke , kameel , kameel
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kameel , kemeel , kameel
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kameel , kemeel , (zelfstandig naamwoord) , kameel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kameel , kemieël , (mannelijk) , kemieële , kemieëlke , kameel , Doe stómme kemieël! Doos(t) höbbe wie eine kemieël. Pas mèt Driekuueninge zatte wae de kemieël en de kuueninge in ’t stelke.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kameel , kemiël , zelfstandig naamwoord , kemiële , kemiëlke , kameel
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kameel , keemel , kemêel , zelfstandig naamwoord , uit Middelnederlands ‘kemel’; kameel (dromedaris); Cees Robben – Wè ligde’r toch wir sakkertjèns bij... Alleej.. Schuif op keemel... (19691128); kemêel; H. van Rijen (1988): kameel; WBD (III.3.2:351) kemêel = kameel; zie keemel
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
kameel , kemie~l , kemie~le , kameel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal