elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kantonnier

kantonnier , kanteneier , mannelijk , kanteneiesj , kanteneierke , kantonnier. Ouder is: waechkrètser.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kantonnier , kanteneer , zelfstandig naamwoord mannelijk , kanteneers , kanteneerke , kantonnier , VB: Jôp ês hil get jaore kantenier ién Groéselt gewès.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kantonnier , kanteneer , (mannelijk) , kantenere , kanteneerke , kantonnier, beheerder van rijkswegen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kantonnier , kanteneer , zelfstandig naamwoord , kanteneers , kanteneerke , kantonnier; in Heel eertijds ook de dorpsomroeper (Frans: cantonnier – wegwerker, belast met het onderhoud van een kanton)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kantonnier , kanteneer , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kanteneers , kantonnier, wegwerker
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kantonnier , kantenaer , kantonnier
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal