elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: karamel

karamel , karremel , zelfstandig naamwoord , de; karamel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
karamel , kermel , (mannelijk) , kermels/kermelle , kermelke , karamel , Bie ’t grabbele raapdje de kinjer toete vol kermelle. Zelfgemaakdje kermel(le)pudding is ’t lekkerste mèt slaagroum.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
karamel , kermél , zelfstandig naamwoord , kerméls , kermélke , toffee (Frans: caramel)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal