elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: keg

keg , keg , zelfstandig naamwoord de , Ook: zwaar karwei, moeite. | Ik had er puur zô’n keg an.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
keg , kegge , keg , de , keggen , (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied). Ook keg (Zuidwest-Drenthe, zuid) = keg, wig Slao der maar een kegge onder (Nsch)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
keg , keg , zelfstandig naamwoord , kegge , kegske , 1. wig 2. jonge, op uitvliegen staande mus
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal