elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kevie

kevie , kévie , (vrouwelijk) , [weinig gebruikelijk] kooi, kast met tralies.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
kevie , kévie , (vrouwelijk) , kooi, kast met tralies.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kevie , kove , (Westerwolde) = schaaphok. Oostfriesch kove, kave = klein vertrek, afgeschoten ruimte, Nedersaksisch kave, Göttingen, enz. kowe; Middel-Nederduitsch koven, kaven = hutje, hokje, enz.; Hoogduitsch Käfich, Nederlandsch kevie = kooi, Latijn cavea = kooi, hok, stal, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kevie , kevie , volgens Weil. in Groningen = boeren-etenskas met eene getraliede deur; bij Laurm., en v. Dale (gewestelijk): eene kast of kabinet van zeer oud maaksel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kevie , kevie , (met klemtoon op ké) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Herrie, verwarring, heftige woordenstrijd. || ’t Is me ’en kevie. Toe ze daarover begonnen, wier (werd) ’et ’en kevie, de ien schreeuwde nog harder as de aâr. – Ook warwinkel, verwarde, ordeloze boel. || ’t Is bij haar ’en kevie (’t is een smeerboel aan huis). ’t Was me daar op zolder ’en kevie. – Het woord is waarschijnlijk één met Ned. kevie, kooi, dat bij KIL. ook in de zin van vogelhuis, volière, voorkomt. De uitdr. is dan te verklaren uit het verwarde geraas, dat gemeenlijk in een volière heerst.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kevie , kievie , zelfstandig naamwoord mannelijk , kievies , kevikske , korf , (bep. grote korf) kievie (vero.) VB: 'nne kievie wäor 'nne rèjelik groete, veerkentige kuerf vuur doéve en hoonder te verveure.; kevikske huis kevikske VB: 't Wäor mer zoe 'n aad kevikske en toch woende dao e gaans hoéshawe. (ongunstige betekenis)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kevie , kevie , kooi waarin de zeug wordt gedaan als ze moet biggen (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kevie , kevie , ruzie ook herrie, ruzing
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kevie , keviep , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , keviepke , krot, huisje, oud/vervallen; wachthuisje soldaten
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal