elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kis

kis , kis , kiesie , de , kissen , (Zuidoost-Drenthe). Ook kiesie (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = kinderwoord voor een kalf Zuw ies even hen de kissies gaon? (Sle), Kom mor kiesie (Eel), Aai het kiesie mor even (Gro), Wij hebt der ok weer ’n kiesie bij (Dal), zie ook bij kuisien en keesman
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kis , kis , kies, kuis, keus, kooisien , tussenwerpsel , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook kies (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe), kuis (Zuidwest-Drenthe), keus (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) en verkl., ook kooisien (Zuidwest-Drenthe, noord) = lokwoord voor een kalf of koe Koenen roept ze mangs ok met ’kis’; dat kent ze nog oet heur kalvertied (Sle), Kis kis kisman (Klv), ook voor een lam (Scho)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kis , kis , zelfstandig naamwoord , kisse , kiske , bil; eine kilo baom en ein óns kis – wordt gezegd van iemand die een te grote broek draagt zie ook bóksepiër, flódderbóks, spanvötje, wórbóks
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal