elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kladden

kladden , [handen] , kladden , Handen. Ak u in de kladden krîge! Vgl. fikken, klauwen enz.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
kladden , kladden , Handen. Ak u in de kladden krîge! Verg. fikken, klauwen, enz.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kladden , kladde , werkwoord , Morsen, knoeien.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kladden , kladde , handen; lurven. Ich hau ’t noch neit gezach, doe hau er ’t al in zien kladde: ik had het nauwelijks gezegd, of hij had het al in zijn handen. Sjnap ’m bie zien kladde: grijp hem bij zijn lurven.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kladden , kladden , 1. knoeien. 2. meervoud van kladde.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
kladden , kladden , klatten , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. kleven, plakken Wij waren kletsnat alles kladde an mekaer (Die), Het is daoi de snei begunt te kladden plakkerig te worden (Oos), ...de snei kladt je an de klompen (Sle), Die kleverklassen die blieven an joen trui kladden (Klv), Zie kladden an mekaor as vliegen en stroep (Ass) 2. klodderen Hij zit in zien boekie te kladden (Flu), Mit zien varven hef hij der alles onder klad (Bco), zie ook kloddern; klatten (Zuidoost-Drents zandgebied, hy) = aan elkaar kleven Viefschaft werd tweemaal gewassen. Het water mocht niet al te heet zijn, anders klatte het allemaol an elkaor (hy)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kladden , kladden , werkwoord , kladdend aanbrengen, knoeiend smeren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kladden , kladden , (zelfstandig naamwoord) , (all. mv.), 1. handen. Iets in de kladden kriegen. Zie ook: annen, zie: and. 2. in: Iene bi’j de kladden griepen ‘iemand vastgrijpen’. Zie Ook:lörven.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kladden , klidze , lurven, kladden, kloten; dao liktj tjer met zien klidze – daar ligt hij met zijn hele hebben en houden, met alles erop en eraan
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal