elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klepelen

klepelen , klepelen , werkwoord , kleppen met de klepel, bij het verluden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
klepelen , klöppele , werkwoord , klöppeltj, klöppeldje, geklöppeldj , 1. dorsen ook dosse 2. erop los slaan zie ook battere, begaffele, boense, dessele, flaatse, flaere, fómpe, hauwe, klaatse, slaôn, stoeke, titse, toeke, toepe, vaege, vieme, wappe, watsje
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal