elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kloterkar

kloterkar , klooterkaar , kar die veel lawaai maakt of erg schokt.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
kloterkar , kloeëterker , zelfstandig naamwoord , kloeëterkerre , kloeëterkerke , 1. boerenkar met schellen en bellen 2. vracht- of melkkar met haambel
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kloterkar , kloterkèr , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , kloterkerre , (Nederweerts, Ospels) ophaal/rondbrengkar, persoon, slordig
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal