elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knapkoek

knapkoek , knapkouke , vrouwelijk , knapkoek, een platte, harde koek
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
knapkoek , knapkouk , mannelijk , knapkuik , knapkuikske , ronde platte koek, besuikerd, van koekdeeg bros gebakken, middellijn 15 à 20 cm, dikte plm. 1 cm.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
knapkoek , knapkook , zelfstandig naamwoord mannelijk , knapkeuk , - , vlaai , (zonder belegsel) knapkook
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
knapkoek , knapkook , (mannelijk) , ronde, gesuikerde koek , Thoearder knapkook.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
knapkoek , knapkook , zelfstandig naamwoord , knapkeuk , knapkeukske , dunne, zoete koek, bros, met een bovenlaagje van suiker
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
knapkoek , knapkook , zelfstandig naamwoord, mannelijk , knapkeuk , knapkukske , knapkoek
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal