elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knuist

knuist , knûst , (mannelijk) , knü̂ste, knûste , knoest, knuist.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
knuist , knoestje , zie: bōdden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
knuist , knůst , mannelijk , knüste , knüstien , knuist, kwast in hout. Laot ik ů neit in de knüste krijgen! Hei hef wat in de knüste: hij is sterk
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
knuist , knoest , knusie , knuist.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
knuist , knoest , de , knoesten , 1. knuist Aj blooud geven wilt, moej eerst ’n knoest maoken, aans komp je de aoder niet te veurschien (Eex), Die vent hef ’n paar starke knoesten an de hoed (Noo), Wat die in de knoesten hef, lat e niet weer lös (Sle), Die hef wal wat in de knoesten is sterk (Pdh), zie ook klauw I 2. groot exemplaar Wat een knoest van een boom (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knuist , knoevm , knuisten. ’t Is een stârke keerl, hie hef wat in de knoevm!
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
knuist , knoeste , knoest , zelfstandig naamwoord , de; 1. grove hand, knuist, vuist; als verkl. vooral: knuistje van een kind 2. knoest aan een boom, stam, tak, in een stuk hout
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knuist , knöst , knuist.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
knuist , knoeste , (zelfstandig naamwoord) , knusien , knuist, vuist.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
knuist , knoest , (mannelijk) , knoeste , knuusje , knuist , Ei paar knoeste van henj höbbe: grote handen hebben.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
knuist , knst , knoest , zelfstandig naamwoord , knst/knuust , knuustje , knuist
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
knuist , knöst , zelfstandig naamwoord , "1. lichaamsdeel: knuist, vuist, kop, hoofd; Daamen - Handschrift 1916: "" 'k zal oe tegen oeë knöst sloan (hoofd)""; Waast oewe knöst onderhaand marrus, get aommol schieffeltjes op oewe tebbus! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990); Cees Robben - ...zonne kaole gladde knöst... (19730223); Verh. KNUIST (knöst) m. - lomp wezen; lelijke kopStadsnieuws:  Dieje knörft heej gin harses in zene knöst - die lomperik ... in zijn hoofd (170110); WBD III.1.4:179 'knuist' = stijfkop; WNT KNUIST - 4) Grove, harde, sterke hand of vuist1.1. grote, sterke handen; Alleen meervoudig gebruikt; Cees Robben – Dè zèn pas knöste... (19620608); 2. boomstronk; WBD III.4.3:59 knöst - boomstronk, ook genoemd: post, strèùk, gatènd of kontènd; Verh. KNUIST (knöst) m. - knoest, stronk v.e. boom met kleine takken eraan; weerbarstig stuk hout; lomp wezen; lelijke kopBiks knöst zn - knoest, lomperik, hoofd; knösje; verkleinwoord; knuistje, vuistje, hoofdje; verkleinwoord van 'knöst', met uitstoting van de t. ook: WBD III.4.3:125 knösje - stronk v.d. wilg; ook genoemd: knoest of stomp"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
knuist , knoes , knoeste , knuuske , knuist
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal