elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: koffer

koffer  , kôffer , kufferke , koffer.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
koffer , kóffer , onzijdig , kóffesj , kufferke , koffer; bed. Ich gaon nao ’t kóffer: ik ga naar bed.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
koffer , koffer , de , koffers , 1. koffer De koffer is al epakt (Mep), Meugien giet nog met de rieten koffer op pad (Oos) 2. bed Ik gao vanaovend niet zo late in de koffer (Klv), Mien vrouw is gisteraovend vrog in de koffer stapt (Ros) 3. romp (Midden-Drenthe) Dat peerd hef gien koffer (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
koffer , koffer , zelfstandig naamwoord onzijdig , koffers , köfferke , koffer , bed koffer
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
koffer , koffer , (zelfstandig naamwoord) , köffertien , koffer.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
koffer , koffer , (onzijdig) , koffers , köfferke , 1. koffer 2. bed
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
koffer , koffer , zelfstandig naamwoord , koffers , köfferke , koffer; het koffer – de koffer
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
koffer , koffer , zelfstandig naamwoord, onzijdig , koffers , köfferke , koffer
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
koffer , kòffer , zelfstandig naamwoord , koffer; et kòffer is te zwaor (onz. ABN: m.)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal