elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kolk

kolk , kolk , grootere of kleinere waterkom, die in de nabijheid der Noorder- en Dollertsdijken alsmede bij de Westerwoldsche A worden gevonden en door watervloeden zijn. Onder de gemeente Kloosterburen heeft er eene de grootte van 1/2 Hectare. Te Hamdijk (gemeente Bellingewolde) vindt men nog 5, van Winschoterzijl langs den Ouden Dijk telde men tien kolken. (H. Kremer bl. 132)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kolk , kolk , (zelfstandig naamwoord) , Bij vissers. Zekere vis. Een basterd van blei en voorn, kolblei. Synon. hoerekind en kween. – De kolk gelijkt op de brasem en wordt zeer vet. Het geslacht teelt niet voort.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kolk , kolk , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Verkl. kolkie. Zie de wdbb. – 1) Kuil voor de as, onder de haardplaat. Thans, met de veranderde wijze van stoken, nagenoeg verouderd. Vgl. OUDEMANS, Wdb. op Bredero 186. || Item sal niemant … sig vervorderen omme te maken ofte stellen en houden eenige houte smuygers in de schoorsteenen, nogte ook niet eenige houte kolke in de haertsteden onder de ysers of vuerplaetsen, Hs. keur (a° 1732), archief v. Krommenie. 2) Bij watermolens. In lage polders liggen twee, drie of vier watermolens achter elkander, om het water steeds hogerop en eindelijk in de ringvaart te malen. De verbinding van de ene molen met de andere heet de kolksloot en de dijk langs de kolksloten de kolkdijk. Ook heten deze kolksloten en kolkdijken eenvoudig kolken. || Het stuk land leit bij de kolk (kolksloot). De Kil streckende vanden Nieuwendam aff tot de tocht ofte colck, daer Jan Galensluys gelegen heeft toe, Hs. keur (a° 1661), archief v. Assendelft. Ik heb dit jaar de kolken (kolkdijken) weer ’ehuurd; er staat goed hooi. – Evenzo elders in Holl. gebruikelijk. || Alle Tocht-slooten, Wegh-looten, Not-slooten, Kolck-slooten, Molentochten ende Cavel-slooten sullen ten eeuwighen daghe den Keur ende schouw van Dijckgrave en Heemraden subiect blijven, Keuren v. d. Beemster, art. 87. Niemant en sal vermogen eenighe Molens open te setten oft andersins inde Colckdijcken, Polderscheydingen ofte Weghen eenige openinge te doen om eenich Water in te laten, ald., art. 95. – Vgl. Kolkeveen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kolk , kolk , zinkgat van een huis- of straatriool.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
kolk , kolk , zelfstandig naamwoord de , Ook: 1. Omdijkte plas. 2. Doorloop van een poldersloot onder een weg. 3. Kuil voor de as in een haardplaat (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kolk , kolk , kolke, kolling , de , kolken , (Zuidoost-Drenthe). Ook kolke (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe), kolling (Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. kolk Hij is in de kolk van het deip verdronken (Row), Wij hadden een kolling en wij waren daor an het moddern en wij huulden der een öpper vis oet (Sle) 2. moerassig deel in het veen (Zuidoost-Drents veengebied) Ik ken wal een kolk in het veen, dan stait het veen der op de kop ien; daor keunj gien törf van graven (Bov) 3. verbreding op het eind van een kanaal (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) 4. askolk Wij gaot hen bedde, striekt het vuur maor in de kolke (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kolk , kòlke , kòlk , (Kampen) kolk. Ook: kòlk (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kolk , kolk , zelfstandig naamwoord , de; 1. waterput, draaikolk, met name achter een sluis of stuw, ook: diep gat in een waterloop 2. gierput, beerput 3. asgat, askolk, nl. in de kachelplaat van met name een kookkachel, aan de achterkant
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kolk , koülk , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , koülke , kuelkske , kolk
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kolk , kolke , (zelfstandig naamwoord) , kolk. Bijvoorbeeld de kolk van Kiezebrink en de kolk van Westerveld.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kolk , kolk , 1. kolk, waterplas ontstaan na een dijkdoorbraak; 2. natuurlijke of gegraven waterplas in een weiland als drinkplaats voor het vee; 3. in samenstellingen: gat (askolk, vuurkolk).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kolk , kouk , (vrouwelijk) , kolk in het water , Corbeys kouk. Truppers kouk.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kolk , koûk , kouk , zelfstandig naamwoord , kouke , kuikske , kolk, plas, vijver in het winterbed van de Maas (b.v. Koos zien gaât, zie aldaar)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kolk , kôlk , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , kôlke , kölkske , kolk, rioolput
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal