elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: koningskop

koningskop , [een van de magen van de koe] , kö̀ningskòp , (mannelijk) , de tweede maag van koeien.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
koningskop , kunnekeskop , zelfstandig naamwoord , pensmaag, van koe
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
koningskop , kunningskóp , de kunningskóp laote kie:ke, afwijking waarbij een vlezige ronde verdikking zichtbaar wordt in de schede van de koe, vooral als ze ligt.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
koningskop , könningskop , bladmaag, pens, ingewanden.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
koningskop , keuningskop , de , (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) = netmaag De koningskop deden ze het leste restie leverworst in (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
koningskop , keunikskòp , (Kampereiland, Kamperveen) koemaag
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
koningskop , käöningskop , zelfstandig naamwoord , käöningsköp , käöningsköpke , verzakking van de baarmoeder bij een koe, die als een blaas zichtbaar wordt als de koe ligt
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
koningskop , kunningkòp , zelfstandig naamwoord , koningskop; WBD bepaalde maag van een koe; WTT - 2012: zie het lemma in WBD I:3,363; het gebruik wisselt zeer, zodat het niet eenduidig is welk deel van de koemaag bedoeld wordt; met name wel de lebmaag.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal