elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kopen

kopen , tegen iemand koopen , In de keuren van Breda leest men: “Item zoo wie dat jaar coopt sal wijsen den genen daar hij tegen coopt enz.” De spreekwijze iets tegen iemand koopen komt voor in den Sachsen-spiegel nach den raren Goudaischen Ausgabe van 1479, Frankfurt und Leipzig, 1763, § 26, p. 35, “zoo ’t goed dat hi gecoft heeft op eenre vryer mart, ende hi en weet tegen wien of sinen weert te wesen,” alwaar weert mogelijk borg (garant) is, zeggende men nog waren, vrijwaren. Bij MELIS STOKE komt het ook in dien zin, meen ik, voor. VAN DER EYK, handvesten en privilegiën van Zuid-Holland. p.m. 82, zegt nog, dat POMPEJUS DE ROVERE de ambachtsheerlijkheid van Hardinksveld in coope vercregen heeft TEGENS Dyckgraaf ende Hooch-dyckheemraden van den Alblasserwaert. VAN DER SCHELLING, beschrijving van den Briel, 1e dl., bl. 266, schijnt deze spreekwijze niet gekend te hebben. Zie aldaar 4e aanteekening. Even als men oudtijds zeide koopen tegen iemand, zeide men ook tegen malkander contracteren. Zie de ordonnatie, gemaakt den 11. Junij, en daarna den 12. derzelve maand 1575 gepubliceerd, op de requeste der gemeyn vry gesellen van den Droogscheerders ambacht te Breda. Huren tegen iemand komt voor in het Stadsboek van Groningen, 7. B. art. 11, in de Verhandelingen van het Genootschap pro excolendo jure patrio, D. 5.
Bron: Hoeufft, J.H. (1838), Aanhangsel op de proeve van Bredaasch Taal-Eigen, bevattende ophelderingen van eenige in onbruik zijnde woorden en spreekwijzen, in oude Bredasche stukken voorkomende, Breda.
kopen , koopen , wordt soms zeer teregt gebezigd in plaats van nemen. Men zegt: wii wilt ons een borrel, een flesch wiin koopen!
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
kopen , koft , kocht; verkoften = verkochten. Wisseling der ch (of g) en f. Vergel. Gron. Kil. Oostfr. Holst. graft = gracht; Gron. höfte = högte (hoogte); heft, en hecht; doft, en: docht; kluft, en: klucht; stiefbeugel, en: stijgbeugel; Kil. HD. kraft = kracht; HD. Luft, Nederl. lucht; sanft = zacht; Oudfr. nift, HD. Nederl. nicht, enz.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kopen , koft , (= kocht), voor: koopt, en: gekocht; hij koft ’n hoes; hij het ’n hoes koft. Zegswijs: dei ze ken koft ze nijt (die haar kent koopt haar niet), zooveel als: die goed met dat meisje bekend is, trouwt haar niet. (Vervoeging van; koopen: ik koop, doe kofst, hij koft, enz.; ik koft, doe kofst, hij koft, enz.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kopen  , koupe , koup, köps, köp, koch, gekoch , koopen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kopen , koopen , kofde, ekoft, ik koope, dů kofst, hei kof, wi, i, zei koopt , kopen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kopen , koopm , werkwoord, zwak , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: koch, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: koch , kopen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kopen , koupe , werkwoord , Kopen. Zegswijze in de wind koupe, op goed geluk kopen. – Op de domme rooi koupe, zie de vorige zegswijze – Deer koup je niks voor, daar heb je niets aan, daar bereik je niets mee. – Wat koup je deer nou voor! Wat heb je daar nu aan! – Alles maakt en dein koupe, alles kant en klaar kopen, vooral gezegd met betrekking tot kleding. | Naaie ken ze niet, dat ze koupt alles maakt en dein.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kopen , koupe , koch, haet of is gekoch , kopen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kopen , kopen , sterk werkwoord, overgankelijk , kopen Ik wol dat steegien wal kopen maor ze waren mij der te wies mit vroegen te veel (Coe), Het is te kriegen, maor ie mut het kopen (Hgv), Laow nog man eine kopen een borrel nemen (Bov), Ze willen Jan der uut kopen uitkopen (Vtm) *Kopen hef ’n wied nèers gaat gemakkelijk (Sle); As het geld op is is het kopen daon (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kopen , kóópen , kopen. (kóóp, kùpt, kóócht, gekóócht).
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kopen , kopen , kopen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kopen , koopm , ik kope/köche; iej koop/köchn; hie köf/köch; wie koop/köch’n; ik heb eköf; ik heb eköch , kopen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kopen , koewepe , kopen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kopen , kopen , (werkwoord) , köch, koch, eköch(t , kopen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kopen , koope , kupt, kocht, gekôcht , kopen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kopen , kopen , opbrengen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kopen , koupe , ich koup, doe kuips/doe köps, hae kuiptj/hae kö , kopen , Zich ei kindje koupe. Zich ei noew klèdje koupe.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kopen , kaupe , werkwoord , köptj, kocht, gekochdj , kopen; gemaakdj-gekochdje kleier – confectiekleding
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kopen , koupe , werkwoord , kuîptj, koch(t), gekochtj , kopen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kopen , kôope , sterk werkwoord , kôope - kòcht - gekòcht , kopen; - in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij / hij kopt; - óp de reutel kôope - op de pof kopen; - Vur ene sènt kôope èn en halfke toe. - Snoepgeld besteden in vroeger tijden (1 cent besteden en als toegift een snoepje krijgen van een halve cent). R.J. 'want tis de lèste die we kôope'; ...want toen ie de preek uitgelee ha waren we net bij ’n kroegske en daor schoof ie gaauw in om er nog in paor te gaon koope. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Cees Robben: Waor zón ze die kiendjes tòch kôope? wè kiendjes kôope óngao ...; Cees Robben: ak wir en nuu pèt kôop, dan kôop ik enen hoed; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  vur en spouke iets gekòcht hèbbe (Pierre van Beek –  TT '69) -er weinig voor betaald hebben; WBD (III.3.2:183) kôope, troeve, aftroeve, slaon = met een troefkaart andre kaarten nemen of slaan; WBD III.2.2:3 'kindje kopen' = zwanger zijn; WBD III.2.2:6 'kopen' = bevallen'; ook '(een) kindje kopen'; kopt; 2e + 3e pers. enk. van 'kôope', met vocaalkrimping; koopt; MP gez. Wè nen boer nie kènt, dè kópt ie nie.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
kopen , koupe , koch – gekoch , kopen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal