elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: korf

korf , keurf , Korf.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
korf , korf , korfken , mand, mandje. Men spreekt het soms uit als karf, ook een bijenkorf = iemenkarf.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
korf , kòrf , (mannelijk) , kòrve , korf.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
korf , körf , (= korf), in hij het ’n körf kregen = hij ’s körft, ook: hij ’s körven = hij is gedropen van een examen, waarvoor studenten en ook de leerlingen der Middelb. scholen thans zeggen: hij ʼs gezakt; – körven = ʼn körf geven = afwijzen na een examen; deur de körf glieden, of: vallen, Hoogduitsch durchfallen = bij v. Dale: door de mand druipen = bekennen, schuld belijden. Oostfriesch ʼn körf krigen, of: ʼn körf gäfen (aan eenʼ vrijer) = hem afwijzen; dör de körf fallen = druipen; körfen = laten druipen. Hoogduitsch einen Korb bekommen, of: davon tragen = een afwijzend antwoord ontvangen, inzonderheid, bij een huwelijksaanzoek afgewezen worden.
als inhoudsmaat, bv.: appels bie de körf koopen (Stad-Groningsch), als turf bij de ton of bak. Men heeft hier vier-, drie- en tweezakskorven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
korf , korf , kurf , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Daarnaast zeldzaam kurf. Zie de wdbb. – Zegsw. ’t Is van de korf in ’t mandje. ook: ’t is van de korf in de lapzak, ’t is één pot nat, het een komt vrijwel op hetzelde neer als het ander, de zaak verandert er niets door. – Zie hudekorf en vgl. korver, Korfkamp, korfleger.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
korf  , korf , körf , körfke , korf, Op de korf stoeëte, naar iets langs een omweg informeeren. Ein körfke gaeve, de bons geven, een blauwtje laten loopen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
korf , kuarf , mannelijk , kuärve , kuärfien , korf. Het lop en uaaver de kuärve: het wordt hem te machtig
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
korf , korf , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kùrve , kùrfken , korf. Ouwr de kùrve goan, buiten de perken gaan; bouwn de kùrve goan, boven de macht gaan
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
korf , körf , m , mand, korf, bed Ik duik miene körf ien Ik duik mijn bed in.) [Ove]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
korf , kurf , zelfstandig naamwoord de , Korf.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
korf , körf , mannelijk , körf , körfke , korf; vogelkooi. Oppẹ körf sjtoote: op iets zinspelen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
korf , körref , korf in het algemeen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
korf , körf , zelfstandig naamwoord , in de uitdrukking hij et ut de körf zonder zörg : hij heeft geen zorgen (KRS: Wijk)
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
korf , körf , körfien , korf.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
korf , körf , korf , de, het , körven , Ook korf (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. korf Ik viene dat veul geld veur ’n körf eerappels (Zdw), Annechien luup met ’t körf ventte met een korf (Sle), Die het naais in de körf weet als vent(st)er de nieuwtjes (Row), Hij is mit een korf an het waterdregen doet nutteloos en onzinnig werk (Bco), Zie gaot even hen körfie kieken naar de buren om de kijken of alles klaar staat voor de aanstaande bevalling (Eex), Hie hef een körf kregen (Zwin) ...is deur de körf vallen (Odo), ...zakt viel door de mand, is gezakt (Nor), As de körf naor beneden gung, dan was het schoft of vieraovend korf in de paal bij vervening (Klv), De darde körf zal gauw gaon zwarmen bijenkorf (Ruw), zie voor corresponderende betekenissen ook bij maand-, körf- 2. stommerik (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Klaos is een grote körf, as hij die olde auto kog (Die), Die körf wet van gien toeten of blaozen (Dwij) *De mooiste aier ligt boven in de körf (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
korf , körf , korf.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
korf , körf , (Gunninks woordenlijst van 1908) korf
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
korf , korf , korf.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
korf , körf , korf , zelfstandig naamwoord , de; 1. korf: mand 2. bijenkorf 3. korf als doel bij korfbalsport 4. korf die aan een hoge paal werd opgetrokken als teken van schaft- of rusttijd van de veenarbeiders; körfien, et 1. kleine korf in div. betekenissen 2. elk der stijve haren aan de achterpoten van een bij 3. dikke braambes
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
korf , kurref , zelfstandig naamwoord , kurreve , kurrefie , korf, mand Ze gong vrijdes van Mesdam naer Dordt mè twêê kurreve aaiers an een juk. Dat was hard werreke en zwêête, maor ze waste d’r aaige nooit; ze smeerde d’r aaige serrestije hêêlemael in mè levertraen; kurrefie maat voor 2½ liter appels, peren of aardappels Wat kost een kurrefie van die peere? Wat kosten 2½ liter van die peren?
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
korf , kuerf , zelfstandig naamwoord mannelijk , körf , körfke , korf , VB: 'r Haw 'nne bëurdig volle kuerf mêt riggelaote geplök.; boezem kuerf
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
korf , körref , korf
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
korf , körf , korf.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
korf , körve , körf , (zelfstandig naamwoord) , korf. Een körve vol.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
korf , kùrf , korf
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
korf , körf , korf , (kö~rf), (kö\rf), (kö\rfke) , (mannelijk) , körf , körfke , 1. korf 2. mand 3. duivenmand , Oppe körf stoeate: iets aankaarten.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
korf , korf , zelfstandig naamwoord , körf , körfke , korf; oppe korf stoeëte – 1. een gunst die men iemand niet rechtstreeks durft te vragen, op een andere, niet mis te verstane wijze duidelijk maken aan de desbetreffende persoon 2. de kern raken
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
korf , kôrf , körf , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kôrve/körf , körfke , korf
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
korf , körf , zelfstandig naamwoord , körfke , 1. mand; ...mee 'ne klont boter in z'ne körf en z'n hart vol zaolige liefde... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Kareltje Vinken’; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 – 24-8-1940); ...'n Klein ouwelijk juffrouwke kwaam binnen, mee 'n körf aon den erm. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den jongen dokter; feuilleton in 3 afl. in de NTC 22-4-1939 – 8-5-1939); - Waor is de zaolige tèd gebleve dèk mee kurven vol gratis vur niks de vietemienen uit de netuur kos gaon haolen. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); R.J. 'meej 'n kùrfke in d'r'n èrm'; Pierre van Beek –  mèndjes zèn gin körfkes; Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “Dan gingde Driekôonenge zinge, dan ginge ze de straoten aaf èn dan hadde zon mèndje bij, zon körrefke, èn dan krêede ooveral en paor (???) òf en snoepke…”; Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): der mèske is meej en körfke nòr et bós gegaon; Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996): ;  (blz. 98) hêûr dochterken is nòr (e)t bos mee eng körr?fk?n om braome te plukke; WBD (III.2.1:133) 'korf' = idem; WBD (III.2.1:135) 'korf' = marktkorf; Bont znw.m. - korf; Antw. KÖRF (uitspr. körr?f) znw.m. - korf; 2. bedstee met deurtje of klein raampje; 3. figuurlijk; Henk van Rijen - körf zonder zörg - zorgeloos iemand; Frans Verbunt: lèèven öt en körf zonder zörg; 4. achterwerk; WBD III.1.1. lemma  achterwerk - korf, in Udenhout. Cees Robben: de körf omschudde - jongen werpen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal