elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kost

kost , köst , (= kost), in de zegswijs: de köst veur ʼt kauen hebben, zooveel als: den kost hebben om niet, er niet voor behoeven te werken of kostgeld te geven. Oostfriesch ʼt geid hum as de kinder un rötten, dê ʼt brôd för ʼt kauen hebben; – licht (of: swoar) op de köst wezen = gewoonlijk weinig (of: veel) eten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kost , kust , (zelfstandig naamwoord) , In de uitdr. kust lijden, het kind van de rekening zijn. || Hij moet altijd kust lijden (ze hebben het altijd op hem voorzien). Toe moest ze natuurlijk kust lijden (werd ze tegen haar zin gezoend). Toe ze dat van ’em hoorden, moest-i de volgende zondag natuurlijk kust lijden (werd hij er mee geplaagd). – Vroeger was kust (kost) lijden in ruimere zin gebruikelijk voor schade, nadeel lijden. || (Wy) waeren met dit continueele storme al seer bevreest, dat geheele Noordt Hollandt sou tondere hebbe gegaen, alsoo de Zeedijken van binnenen seer veel kost leeden en wegh spoelden, Journ. Caeskoper, 16 Dec. 1675. – Vgl. Mnl. te coste lijden, schade lijden, onkosten te maken hebben (Mnl. Wdb. III, 1967).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kost , kost , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Luie-wijvenkost, schertsende benaming voor troet (zie aldaar). Zie zegsw. op eten, en vgl. kust.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kost  , kos , kost (levensmiddelen).
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kost , kost , vrouwelijk , köstien , kost. Hei hef de kost vüür et iätten: hij kan gratis eten. Hei hef zien köstien ekoft: hij is onder dak.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kost , kos , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , kost
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kost , kôst , m , eten, levensonderhoud; kost De kôst verdiene De kost verdienen (in het levensonderhoud voorzien); kôst nor mien hart dat is ’iets’ naar mijn zin.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kost , kost , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze de kost om ’t kauwen hewwe, een prima verzorging of kosthuis hebben.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kost , kust , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze kust laaie, het kind van de rekening zijn, schade of nadeel ondervinden (verouderd). Vgl. Middelnederlands te coste lijden = onkosten moeten maken, schade lijden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kost , kos , mannelijk , köske , kost, voedsel. Hae haet de kos veur ’t aete: zijn levensonderhoud kost hem geen cent.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kost , koost , al wat tot voeding kan dienen, al wat men eet.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
kost , kost , de , kosten , kost, levensonderhoud, voeding Hij verdeint de kost gemakkelijk (Bov), Wat doej veur de kost? wat is je werk? (Dwi), Die hef de kost wal kocht is binnen (Sti), Zij zet oe daor stevige kost veur (Ruw), Wat kriegen wij vandage veur kost? (Ruw), Jan is ’n dure op de kost (Hijk), As door in de kost gaais, dan hes een goud kosthoes (Eel), Ik heb het vie an de kost heb genoeg voer voor het vee (Sle), Zij gaot nou nog bij Sint Joris in de kost hebben de kost voor niets, bijv. door bij de ouders te wonen (Dwij), Hie verdeint de kost nog tou (Erf), Hie hef de kost veur het eten, ... het kauwen heeft het gemakkelijk, hoeft daar niets te doen (Sle), Hij is veur de kost nog te duur van een lui iemand (Pdh), zie ook keutel, Hij is daor op de kost en de keutel geheel inwonend (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kost , kòòst , kost. mv. kòòsten. gij hèt de kòòst wel verdiend, je hebt flink gewerkt.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kost , kòst , zelfstandig naamwoord , kost, eten. Vandage e-j de kòst veur ’t eten (opmerking tegen een etensgast die slecht bij kas is en daarom niet hoeft te betalen), Ie ebben oe kössien eköcht ‘je hoeft je in materiële zin geen zorgen te maken’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kost , kos , voeding, kost. Hie verdient de kos, mar loon krig hie niet.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kost , kost , zelfstandig naamwoord , de; 1. prijs die men bij een koop of voor een handeling moet betalen, ook: onkosten, extra kosten 2. levensonderhoud 3. dagelijks voedsel dat men ontvangt, evt. met inwoning 4. voedsel, spijs
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kost , kos , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , köske , kost , VB: Dat ês sjtevige kos, dè hêlt dich ién d'n zyje.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kost , koost , koast , kost (eten, prijs)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kost , kost , (zelfstandig naamwoord) , kössien , kost, levensonderhoud. IJ ef döör zien kost met verdiend.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kost , kôst , kosje , eten, kost, kostje, levensonderhoud , Hèij hit ’r de kôst bèij. Hij heeft er het eten bij. Vaak over boerenknechten gezegd., Oew kosje is gekôcht. Jouw kostje is gekocht. Je hebt het goed. Men zegt dit wel als iemand niet meer zijn best doet op zijn werk.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kost , kos , kost , (mannelijk) , eten , Waat duis se vuuer de kos(t)?: welk beroep heb je?
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kost , kost , zelfstandig naamwoord , köstje , levensonderhoud, bestaan, brood; de kost verdene – de kost/zijn brood verdienen; hae hiët zien köstje gekochdj – hij is onder de pannen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kost , kost , koost , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kösje , tweede vorm Ospels; kost
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kost , kòst , zelfstandig naamwoord , eten; goeje kòst - voedzaam eten; - uitdrukking  ginne kòst - ondoenlijk werk; Cees Robben – kost en kleer. Kost en kleding. (19540213); Verh. kost, m. eten enzin de uitdrukking  't is ginne kost - dat is niet te doen, een onhoudbare toestandAntw. KOST znw.m. - spijs, voedsel
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal