elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kosten

kosten , kòsten , (zwak werkwoord) , kosten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kosten , kö̀sten , (vrouwelijk) , onkosten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kosten , köst , gekost, verleden deelwoord van: kosten; dat het ʼn gulʼn köst.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kosten , kôste , mv , Dè zien ammaol kôste op niks! vergeefse uitgaven, weggegooid geld.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kosten , koste , werkwoord , in de zegswijze ’t kost meer van ’t stoigeren as van ’t dekken, gezegd als men vindt dat een onderneming zoveel geld of moeite niet waard is. Letterlijk het plaatsen van steigers kost meer dan het leidekken of rietdekken. – ’t Kost duur, contaminatie van ‘het kost veel’ en ‘het is duur’. – ’t Kost de hêle wirreld, het kost een vermogen. – ’t Kost zout nach broôd, het kost vrijwel niets.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kosten , kos , kosde, haet gekos , kosten, ’t Kos waat ’t vraeten haet: geld speelt geen rol.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kosten , köste , kosten. Dat geit op köste van óngelieke: dat gaat op kosten van hem, die het spel, geding, weddenschap enz. verliest; van hem, die zal blijken ongelijk te hebben.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kosten , koste , zelfstandig naamwoord , kosten. Dè zèn ammel koste-n-òp ’t stèèrfhùis. Dat zijn allemaal uitgaven die geen zin hebben.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
kosten , kosten , meervoud , (on)kosten De kosten bint veur de koper (Hoh), Hie hef aordig kosten had, dat zien vrouw in het ziekenhoes legen hef (Oos), Hij krig de kosten der wal weer oet (Pdh), Die hef hum aordig op kosten jagd (Pes) *De kosten gaot boven het gewin, zee de deeif, hie mus tweeidoezend gulden boout betaolen (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kosten , kosten , zwak werkwoord, onovergankelijk , kosten Wat zul zo’n reisie wel niet kosten? (Klv), Dat kost hum de kop ok nich dat kan hij wel hebben (Bov), Dat zal wel een stuver kosten veel (Ros), Dat kost duur (Hol), (zelfst.) Laow het dan met mekaor dooun en het is eein kosten kost één keer geld (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kosten , kòssen , kòsten , werkwoord , kosten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kosten , kossn , kosten, onkosten. Dan loop de kossn baovm ’t gewin.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kosten , kossn , kosten (werkw.). Wat mut dat beesien kossn?
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kosten , kosten , werkwoord , 1. aan geld kosten 2. aan in spanning vergen, tijd, moeite kosten, erbij inschieten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kosten , koste , werkwoord , kosjtj, kosjtjdje, gekosjdj , kosten; waat het kosjtj, kosjtj het – het maakt niet uit wat de kosten zijn; het hiët zien geldj gekosjdj – iets waarvoor men betaald heeft, moet men ook gebruiken; det kosjtj allemaôl – dat kost allemaal veel geld
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kosten , köste , (meervoud) kosten; keûste(meervoud) (Nederweerts, Ospels) kosten
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kosten , koste , werkwoord , kosj, koszje/kosdje, gekosj/koos(t)j, kooszje/koostdje, gekoos(t)j , kosten; kooste(Nederweerts, Ospels) kosten
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kosten , kòsse , zwak werkwoord , kòsse - kòste - gekòst , kosten; Wè zot kòsse? - Wat zou het kosten?; ...twee Jode wete krek wè 'nen bril moet kosse. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Kareltje Vinken’; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 – 24-8-1940); Cees Robben – ’t maag nie te veul kosse... (19781110); Sjef zeej: Dè knap ik zèlf wèl op/ dan kòsset oe gin gèld. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Doeget zelf....); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  as en vrouw et circuspèrdje öthangt, kòst ze veul strooj (Pierre van Beek –  Tilburgse Taalplastiek 1970) - luxe kost geld; Henk van Rijen dè zal hil wè krööm kòsse - dat zal veel energie vergen. Vliegers plekken deeje we ôk wel ens. Et pepier mocht nie teveul kosse en de latjes han we dan wel ergens ‘gevonden’. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); Biks 'koste’ ww - kosten; kòsset; samentrekking van kost het; Cees Robben – Hoeveul kosset.. vroeg ze zuinig (19620413)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal