elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kots

kots , kots , m , braaksel Daor krieg ik de kots af! Dat staat me erg tegen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kots , kots , mannelijk , nonsens; braaksel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kots , kots , braaksel.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kots , kots , koéts , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , braaksel , kots m. Zw: De kots vaan get kriége.; snot (geelachtig snot) koéts
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kots , kots , kits , braaksel
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kots , kóts , (mannelijk) , braaksel , Dao krieg ich de kóts van: daar moet ik van walgen.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kots , koetsj , 1. braaksel 2. spuug ook spiej, tuf
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kots , kóts , zelfstandig naamwoord, mannelijk , braaksel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal