elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: koud

koud , kou , (bijvoeglijk naamwoord), (bijwoord) , koud. Het is kou weer. Het waait erg kou.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
koud , kòld , (bijvoeglijk naamwoord) , koud.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
koud , kold , koud. Vergelijking: ’k bin zoo kold as ’n vis, ook: as ’n bōt en: as ’n kikkert. Zie ook: hijt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
koud , koud , (bijvoeglijk naamwoord) , Zie de wdbb. – Zo koud als een rooie-koolsblad, zo koud als een botje, zeer koud. || Ik ben zo koud als ’en rooie-koolsblad. – Zegsw. Zo koud als ’en kikkerkontje op ’en koolblad, zeer koud. – Zo koud als ’en botje, hetzelfde. Ook bij oudere Holl. schrijvers (Ned. Wdb. III, 678) en nog gewestelijk, b.v. in Overijssel. – Zie nog een zegsw. op bijbel en vgl. kouwe vrijer op vrijer. – Familie van de koude kant, aangetrouwde familie; ook wel familie van familie. || We bennen neven, maar ’t is van de kouwe kant. Zo ook kouwe oom, aangetrouwde oom. || (Worden) tot voogden gestelt over ’t kint van Aegte Gorters … den persoonen van Josep Cornelis Gorter, oom, en de Claes Nannincksz. op Wormerveer, kouwe oom van ’s moeders zijde, Hs. (a° 1689), archief v. Krommenie, Jacob Jansz. Ham en Pieter Pietersz. … beyde kou oomen van ’s moeders zijde, Hs. (a° 1693), aldaar. Evenzo spreekt men in Friesl. van kouwe ooms en kouwe swagers (DIJKSTRA, Uit Friesl. Volksleven 2, 266). – Een kouwe bakker, een broodslijter die vent met door anderen gebakken brood. Ook elders bekend (Ned. Wdb. II, 890). – Een kouwe ree, zie op ree II. – Vgl. koud II, kouwelijk, kouwegatjes-voelderij, verkouwenis.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
koud , kald , koud. Erg kald, zeer koud. Van eine kalde kermis toes kome, niet bereiken wat men verwacht had. Ook een strafdreigement voor kinderen die iets verkeerds gedaan hebben.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
koud , keld , koude.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
koud , koold , köölder [kǿldǝr], kööldst [kǿlst] , koud
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
koud , koud , ik ben zo koud als een spin (1901).
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
koud , kòold , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , koud. t Trekt miej kòold ouwr de hoed, ik huiver; t lùt miej zoo kòold as nen mispl, ’t is mij onverschillig; zoo kòold a’j n butjen, erg koud; nen kòoldn bruer, broer uit een eerder huwelijk
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
koud , kâld , mv , koud kâlde vuut koude voeten. [Ove]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
koud , koud , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , 1. Koud. 2. Nauwelijks, maar net. | Hai zat koud op z’n stoel of hai wier al weer wegroepen. Zegswijze zô koud as ’n botje, steenkoud. – Zô koud as ’n stien, steenkoud; kouwe, koude, in de zegswijze ’n kouwe kip, een koukleum, – ’n Kouwe bedoening, een koele, onhartelijke bedoening, – De kouwe kant, de aangetrouwde familie.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
koud , kaut , kauer, kautste , koud.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
koud , kaaw , koud.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
koud , kaaw , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , koud. 1. Kaaw smidje. Zie: smid. 2. Van de kaawe kant. Zo noemt men de aangetrouwde familie.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
koud , kolde , koude (bijv. naamwoord).
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
koud , kold , koald , koud.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
koud , kaold , koold, kold , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook koold (Zuidoost-Drents zandgebied), kold (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = 1. koud Het is zo kaold op boeten, trek mor een dikke jas an (Eex), Het zwien kaold worden laoten na de slacht (Wei), Het was een kaolde oostenwind (Eco), Het was zo kold. As ie pissen mussen, dan bleef het in een boogie staon (Bco), Wat er ook gebeurt, hie wordt er niet hait of kold van (Eev), Het is zo mooi, daor woj kaold van (Oos), Het lat mij kaold wat e döt kan mij niet schelen (Anl), Hie blif der kaold under (Zwe), Het vul hum wat kaold op de hoed hij schrok ervan (Sle), Iene kold maken vermoorden (Klv), Veur 50 jaor was in Rowol vaok kolde koorts (Row), zie ook koorts. Een kaolde smid gebruukt gien vuur verwarkt b.v blik koudsmid of blikslager (Mep), Dat is ook een kolde smid een slechte smid (Dwi), Een kaolde zwarte bank wolkenband in het westen als teken van naderend koud, slecht weer (Pdh), Hij is zo kold as een kikker (Eli), Hij is zo kold as een stein (Ros), Zo kold as ies (Pei), Zo kold as een bot (Smi), Zo kold as een ruske (Vtm), Zo kold as een vlint (Gas), 2. koud, hardvochtig Het gung daor in die femilie zo kaold toe zo zonder gevoel voor elkaar (Klv), Wat een kolde bedoening weinig hartelijk (Hgv), (zelfst.) Zien zuster is al een poze arg zeek, mor hij geet er niet hen heuren want dat is wal zo’n kaolde (Hijk), Sommige mensken kunnen over lieken gaon; hij is ok zo’n kolde (Een) 2. geen familie Ze bint samen opgruid mar in het bloed bint ze kaold van mekaar (Coe), De man har tweei kinder en de vrouw har tweei kinder, beiden bint trouwd en noou bint de kinder ’kaold bloed’ (Eex), Het wordt al aordig kaold, het raakt me haost niet meer (Sle), De naeme is wel gelieke, mor het is toch helemaole kold (Die), Dat is van de kaolde kaante (Eri), Een kolde breur, ....zuster met een andere vader en moeder (Dwi), Een koude vader stiefvader (wp) *Eten daj zweten / Warken daj kold worden (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
koud , kaauw , koud, koude. d’r stè unnen kaauwe weind, er staat een koude wind. hij is van de kaauwe kant, hij is aangetrouwd.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
koud , kòld , koud. Zo kòld as een bot
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
koud , kold , koud.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
koud , kaauw , koud , Wa was't vanneméérege kaauw óp de fiets én ik was m'n handschoen nog kwiit ók. Wat was 't vanmorgen koud op de fiets en ik was mijn handschoenen nog verloren ook.
És de kaauwe smèd begient, kré dun hiite wéérek. Als de koude smid begint, krijgt de hete (smid) werk. Ieder zijn vak.
T’is mén nog ginne kaauwen érrepel wérd. Het is mij nog geen koude aardappel waard. Het is me helemaal niets waard.
Vergrotende trap kaauwer. T’is ne jas kaauwer geworre. Het is een jas kouder geworden. Het is een stuk kouder geworden.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
koud , koold , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. koud: i.t.t. heet 2. met gebrek aan de normale warmte van het lichaam 3. onbewogen, volstrekt bedaard 4. ongevoelig, kil tegenover anderen 5. zonder dat er bloedverwantschap bestaat 6. in een koolde brogge een droge boterham 7. weinig te betekenen hebbend, in verb.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
koud , kouwe , bijvoeglijk naamwoord , ondeskundige Een kouwe melker of slachter en een kouwen bakker kejje d’r gelijk uit: ze bakke d’r niks van want ’t binne gêên vaklui; Van de kouwe grond amateuristisch, niet vakkundig, niet ambachtelijk
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
koud , kaad , bijvoeglijk naamwoord , kawwer, 't kawste , koud , (attr. m. kawwe, vr. kaw, o. kaad. mv. kaw, pred. kaad) VB: Ich heb kaad: ik heb 't koud. VB: Ich woerd kaad devan wie ich 't hoert.; biestig kaad koud (vinnig koud) biestig kaad; zoe kaad es e bies koud (vinnig koud) zoe kaad es e bies
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
koud , kold , (bijvoeglijk naamwoord) , koud.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
koud , kèèw , 1. koud; 2. kou, verkoudheid , ’t Is kèèw vendâg. Het is koud vandaag., Kèèwe kant. Schoonfamilie., Kèèw schóttel? Mak wèèrm, mak wèèrm! Koude schotel? Maak warm, maak warm! Grappig bedoelde woordspeling., Doe unnen das um, anders vatte nog kèèw. Doe een das om, anders loop je nog een verkoudheid op., Kèèwe kak is ’t, meer nie! Koude kak is het, meer niet!
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
koud , kaauw , koud , de kaauw daog zijn bekaant aont èènd, de kachel hoeft dan ôk nie meer te braande
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
koud , kald , bijvoeglijk naamwoord , koud (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
koud , kaod , kaojer, kaodst , koud , Kaoj sjóttel. ’t Kaod höbbe. Vanne kaoje kantj zeen: aangetrouwd zijn.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
koud , kaôd , kaod , bijvoeglijk naamwoord , kaoj, kaoje , koud; det wuërtj kaod zónger te blaoze – 1. dat koelt vanzelf af 2. die hevige verliefdheid/ruzie/boze bui gaat vanzelf over; kaoje misjenares – een gebakken haring in het zuur; kaoj sjóttel – hors d'oeuvre; eine kaoje lol – een spaarzaam/beperkt genoegen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
koud , kaod , bijvoeglijk naamwoord , koud
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
koud , kaoj , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , kou(de)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
koud , kaaw , koud , bijvoeglijk naamwoord , koud(e); Et bluujke heej kaaw vuutjes. - Het kindje heeft koude voetjes. MP gez. Koud, dè ist pas as den boer èès schèt. DANB 'mèrt' ist nòg te kaaw óm te katsele - In maart is het nog te koud om te kaatsen; DANB ene kaawe kelder is goed vurt bier; H. van Rijen (1988): 'Wit te hoeneer ut kaaw is? As de hèllege èès schèète, dan is-t pas kaaw. Frans Verbunt:  van de kaawe kaant - aangetrouwd; WBD III.1.2:294 'een kou hebben' = een verkoudheid hebben; D. Boutkan (1996): (blz. 49) en kaaw/kaawt hèùs; et hèùs is kaaw/kawt; tis nòg te kaaw/kawt; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kaaw (praedicatief: het is koud) (blz. 14), resp. 'kaawt' in T(noordoost); Jan Naaijkens, Dè's Biks (1988): kaaw bijvoeglijk naamwoord ., bw. - koud; koud; komt voor naast kaaw; gez. MP Koud, dè ist pas as den boer èès schètA.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kaaw (predicatief): het is koud (blz. 14) resp. ‘kaawt’ in T noordoost.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
koud , kald , kalde , koud; kalde koude
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal