elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kouwelijk

kouwelijk , kouwelijk , (bijvoeglijk naamwoord) , Koud, koudachtig. Hgd. Kältlich. || Het begint nou toch wat kouwelijk (flink koud) te worre (worden). ’t Is kouwelijk; ik loof, dat ’et vriest. – Evenzo elders in N.-Holl. De gewone bet. van kouwelijk is gevoelig voor koude (VAN DALE).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kouwelijk , kouwelek , bijvoeglijk naamwoord , Ook: vrij of flink koud. | ’t Is kouwelek weer.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kouwelijk , kèielik , kèielikker, kèielikste , kouwelijk. Dat is ’ne kèielikke: dat is een koukleum.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kouwelijk , kouweliek , bijvoeglijk naamwoord , kouwelijk Dai man is altied kouweliek, of stait de kachel ook op 25 graoden (Git)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kouwelijk , koolderig , kouwerig , bijvoeglijk naamwoord , 1. kouwelijk zijnd, rillerig van kou 2. koudachtig: van het weer
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kouwelijk , kewwelik , bijvoeglijk naamwoord , kouwelijk , VB: 't Ês nog al kewwelik aongelaag, bekaans altiéd hèt 't z'n hase aon.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kouwelijk , kèwwelek , kouwelijk
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kouwelijk , käöjelik , kouwelijk , Mien vrouw is nogal käöjelik aangelag(d).
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kouwelijk , käöjelik , bijvoeglijk naamwoord , käöjelike , kouwelijk zie ook ellenjig, ermeujig, ozelig
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kouwelijk , kaawelek , bijvoeglijk naamwoord , kouwelijk; Dialectenquête 1876 - kaauwelik; WBD III.4.4:36 'kouwelijk weer'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal