elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kraai

kraai , kreei , kraai. Sprw. Kreei blif kreei, al neumpts hom Garriet = men moet de dingen bij den rechten naam noemen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kraai , krèje , (mannelijk, vrouwelijk) , krèjen , kraai.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kraai , krai , kraai. Wat bij het biljarten gewoonlijk: beest, genoemd wordt, heet hier ook wel: krai, meer echter: swien, swijn. Zegswijs: hij wijt ’r zooveel van as ’n krai van de zoaterdag = hij weet er hoegenaamd niets van, nl. van eene wetenschap, en synoniem met: – as ’n mōt van ’t haspêln, maar dan wordt het van een handwerk of van eene kunst gezegd. Oostfriesch hê wêt d’r nët so fȫl fan as de krei van de söndag; Oldenburgsch: hij begript er so väl af as de krai van ’n sonndag; Meurs: he wett so vöhl dovan as de kuh van de sonndag; Marsberg: he weit sou vil då van åsse de krägge vamme sunndage, of: åsse de osse vamme vuggelneste. – Zoo hijt ʼt, zee Krai (zoo heet het, zei Kraai), zooveel als: zoo zal het zijn, praat er maar niet tegen, en ook: zoo is het, ronduit gezegd, en nu weet gij hoe ʼt met de zaak gelegen is; – wie wijten wel hou ʼt hijt, zee Krai = praat er maar niet om toe, wij zien wel hoe de vork in den steel steekt. – Vergelijking: wild as ʼn krai, van kinderen gezegd. Zie ook: sōkkerai.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kraai , krèje , Kraai; tegenw. meestal: kraaie.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
kraai , krèje , Kraai; tegenw. meestal: kraaie.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kraai , krei , kraai.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kraai , kreeie , vrouwelijk , (vogelnaam), kraai
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kraai , kreeje , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , kreejn , kreejken , kraai
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kraai , krèêj , m , kraai.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kraai , kraai , zelfstandig naamwoord de , Kraai (vogel), in de zegswijze d’r óp zitte as ’n kraai op ’n kreng, zeer fanatiek zijn, vooral met betrekking tot het verdienen van geld. Verkleinvorm kraaike, in de zegswijze elk kraaike zoekt z’n gaaike, elke jongen zoekt zijn meisje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kraai , kraai , zelfstandig naamwoord de , Gelukstreffer, o.a. bij het biljarten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kraai , krao , vrouwelijk , krao , kräöke , (kraai in de volksmond) roek, Corvus frugilegus. Gries krao: bonte kraai, Corvus corone. “Ein vleigende krao vink mee wie ’n zittende”, wordt gezegd van iemand, die steeds op stap is en daardoor allerlei voordeeltjes heeft. Twee krao pikk
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kraai , krèèj , kraai, een vogel.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
kraai , kreije , kreijen , kreigien , kraai.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
kraai , kreien , kraaien (zn.).
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kraai , krèei , kraaie, kreie, krei, kraai, krèeie, kreeie , de , krèeien , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook kraaie (Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), kreie (Zuidwest-Drenthe), krei (Midden-Drenthe), kraai (Kop van Drenthe), krèeie (Midden-Drenthe), kreeie (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. kraai Hij hef kiend noch kreeie (Bro), Het is net ’n kraaie, alles wat glimt, kan e neit liggen laoten (Erf), Der kwam gien kraai niemand (Gie), As krèeien zo in de lucht cirkelt en krèeit, kriej aander weer, naor regen toe en as ze hoog in de bommen zit, kriej drekt nog gien goed weer (Sle), As de kreien al vliegend dukelt, dan komp der harde wiend (Dwi), As de kreien um de haene van de toren vleegt, komp der dooi (Die), As der een zwarte kraaie an het veinster pikt, dat is een dodenanzegger (Hgv), ook As er zwarte krèeien op het dak zaten, kwam er een dode in hoes (Dro), of ...op de schörstien... (Zdw), Wij kunt wel ies vorst kriegen, de grieze kreien koomt al opzetten (Ruw), De kreien die zaten te gaepen op het dak zo warm was het (Dwi), Aj niet weet, wat aj doen mut: gaot op het dak zitten kraaien melken (Hol), Hie is zo beroerd (Sle), ...zo zaik (Eco), ...zo doen (Bco), ...zo brutaol (Gas), ...zo wild (Pdh), ... schor, ...zo scheel (Hijk), ...zo koks (Bor), ...zo gries as ’n kraaie (Klv), ...zo drok as een krèei op zaoterdag (Bui), Het is zo zoer ...(Sle), ...zo scheeif as een krèei (Eex), Ai hebt er net zoveul verstand van, as ’n kraai van de zaoterdag (Eev), Grieze kreien bewoners van Eursinge (N), Dat is zangvereniging de schorre krèei gezegd van valszingende club (Nam) 2. bijdehand meisje (Zuidwest-Drenthe, zuid), ook Een gekke kraai zedeloos meisje (N:be) 3. aanspreker bij begrafenisonderneming (Zuidwest-Drenthe, zuid) *Een grieze krèei maokt nog gien winter (Rol), ook gezegd van een bonte kreie (Zdw); Kreien op de paolen / Règen mit straolen (Hgv); Kreei blif kreei, al neumpts hom Garriet men moet de dingen bij de naam noemen (wm); Eén krèei maakt nog gien winter (Bor); Ja, eerder, toen de krèeien nog oet de ribben scheten (Dro); Zat de krèei met de kerstdagen in de klaver, dat zat e met de Paosen in de snei (md); Het zal uutkommen, al zult de krèeien het ook uutbrengen (Noo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kraai , kreij , kraai. mv. kreijen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kraai , [dam, waterkering] , kraej , dam in een beek.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kraai , kraaie , 1. kraai; 2. begrafenisondernemer; 3. agent van politie; 4. brutaal meisje
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kraai , kraaje , kraai.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kraai , kraoj , kraai , Ge kunt aalté nog bèèter 'n kraoj vatte és 'n kaauw. Je kan altijd nog beter een kraai pakken als een kou. Je kunt beter een kraai pakken dan verkouden worden.
Kraoje nèstele hóóg in de béúm, daor zitte ze goed óp d'r plak zulle ze dènke. Kraaien nestelen hoog in de bomen, daar zitten ze op een veilige plaats zullen ze denken.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kraai , kri’je , zelfstandig naamwoord , de; 1. kraai, gewoonlijk: de zwarte kraai 2. wilde persoon, vooral gezegd van een meisje of een meid, vooral in een wilde kri’je 3. in gien kiend of kri’je hebben kind noch kraai hebben
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kraai , krao , zelfstandig naamwoord , kraoie , kraoichie , kraai; Een vliegende krao heb altijd wat Een scharrelaar vindt altijd wel wat van zijn gading; Hij zitter op azzen krao op ’n kreng Hij is er snel bij als er wat te halen valt
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kraai , kraoj , zelfstandig naamwoord mannelijk , kraoje , krëujke , kraai , Zw: 't Ês zoe wérm dat de kraoje oét de bûim valle.; raaf kraoj VB: Ién de weenter zuús te vëul kraoje op 't laand dy nao voor aon 't zeuke zién. Zw: 't Ês zoe wérm dat de kraoje oét de bûim valle Zw: Keend noch kraoj hebbe; roek Zw: 't Ês zoe wérm dat de kraoje oét de bûim valle.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kraai , kréíj , kréíje , kraai
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kraai , kraoi , kraai.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
kraai , kraaie , (zelfstandig naamwoord) , kraai.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kraai , krèèj , kraai , ’n Vliejgende krèèj véngt âlt wa. Een vliegende kraai vangt altijd wat., Hèij vloog er ás ’n blinde krèèj óp af. Hij vloog er als een blinde kraai op af. Hij stapte er onbezonnen op af.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kraai , krei , kreie , kraai.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kraai , kraon , (vrouwelijk) , kräön , kräönke , kraai , De ein kraon piktj de anger de ouge neet oet: de ene hoge piet laat de andere hoge piet niet vallen. Doe geis mètte kräön de lócht in: als je zo doorgaat, word je straatarm. Ein taam kraon: een tamme kraai. Ein vlegendje kraon vingt mieë es ein zittendje. Wils se ’t neet zègke menke, de kräön zulle ’t oetbringe!: ook al zwijg je, de waarheid komt toch wel aan het licht.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kraai , kraôn , kraon , zelfstandig naamwoord , kräôn/kräön , kräönke , kraai (Corvus corone)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kraai , krej , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , krejje , krejke , kraai, zwarte
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kraai , kraai , politie-agent
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
kraai , kraaj , zelfstandig naamwoord , "kraai; Corvus; Pierre van Beek – Komt men ""als Jan met kraaien naor de mert (markt)"" of ""mee vijgen nao Paosen"" dan is men met zijn voorstel te laat. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant – donderdag 11 mei 1950); Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  asser èrges êen kraaj neerstrèkt, laandt er sebiet en hêele klócht (Pierre van Beek –  Tilburgse Taalplastiek 1972) - waar aas is, verzamelen de gieren zich; Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  en kraaj gefreeten hèbbe (Pierre van Beek –  Tilburgse Taalplastiek 1973) - een flater begaan hebben, een verkeerde uitspraak gedaan hebben. Bijnamenboek Karel de Beer - ene kraaj = doodsbidder (blz. 91)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
kraai , krei , kreie , kreike , kraai
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal