elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kram

kram , kråmme , vrouwelijk , kram
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kram , kramp , mannelijk , krėm , krėmke , kram; haken en ogen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kram , kram , zelfstandig naamwoord , ijzeren ring in de neus van een varken, om het wroeten tegen te gaan (KRS: Hout) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
kram , kram , kramme , de , krammen , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook kramme (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = kram In ’n putrol zat ’n kram, daor zat de ket an vast (Sle), De kramme veur de stikke van de vaarkensdeure is der uut (Die), Hij har een beste glipse in de kop, de dokter hef hum der vief krammen inzet (Bco), Een kram an de muur um der een peerd an vast te binden (Scho), Een zwien kreeg een kram op de neus (Row), ...in de neuze (Ros), Een kraampie aover de kappe van de klompe was vake ofdoende band van ijzerdraad of speciale ijzeren band (Hgv), zie ook bij kremp
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kram , kramme , kram
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kram , kramme , zelfstandig naamwoord , de; 1. kram met ongeveer de vorm van een hoefijzer, ter bevesting of als houder in iets gedreven 2. hechtkram 3. kram, ringvormig beugeltje met twee scherpe uiteinden, ook gemaakt van een stukje ijzer- of koperdraad, dat een varken door de neus wordt gestoken om het wroeten te voorkomen 4. ijzerdraad over een klomp getrokken in geval van een barst of wanneer de kap eraf is gesprongen of er dreigt af te springen 5. onderdeel van het klinkwerk van een deur: plat deel over de klink, waarbinnen deze bleef bij de oplichtende beweging 6. zie bi’jekramme
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kram , kram , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , kramme , kremke , hechting , VB: 'r Ês mêt ze bèin ién de peundraod bliéve hange, ze hebben 'm viéf kremkes môtte zitte.; kraamp haak (haak en oog) kraamp en oûg
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kram , kram , (vrouwelijk) , kramme , kremke , kram , De wónj höbbe ze mèt kremkes gehechtj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kram , kram , kramme , zelfstandig naamwoord , kramme/krem , kremke , hechting
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kram , krâmp , zelfstandig naamwoord, mannelijk , krêmp/krem , kremke , kram, kramp
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kram , kram , zelfstandig naamwoord , krèmke , kram, krammetje; hechting in wond; Et waar net Siendereklaos, zon witte kien hattie naa, van de pleisters dieter op geplekt zaten. Daor zaate wel tien kremkes in, zi ons moeder. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal