elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: krank

krank , krank , voor zwak, gering. Krankvermogen, kranke moed enz.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
krank , krank , (bijvoeglijk naamwoord) , Onsterk, wrak. || Een krank koppie. Wat ’en kranke stoel. Me jurk (japon) wordt zo krank. Pas op, die schaal is wat krank. – Zegsw. ’t Is een krank touwtje, ’t is gevaarlijk, twijfelachtig, precaire. || ’t Ken wel goed gaan, maar ’t is ’en krank touwtje! De uitdr. luidde vroeger vollediger: ’t is een krank touwtje om aan te halen (áán te trekken). || (Er wierd) op alles wel gelet, terwijlen het vriesent weer was, en den Vyandt met hert en ziel zijne aenslagen altijdt daer op en over ’t ijs (’t welk men seyt dat het een krank touwtje is om aen te halen, en datter geen balken onderleggen om sich daer op te vertrouwen) voorgenomen hadde, SOETEBOOM, Ned. Schout. 285. Vgl. ook SPIEGHEL (ed. VLAMING), 283: “An een krank touw zalmen zachkens trekken”. – Deze bet. van krank was in de Middeleeuwen en 16de e. zeer gewoon; zie Mnl. Wdb. en OUDEMANS op krank. Tegenwoordig spreekt men in de algemene taal nog van “een kranke troost, een kranke hoop” (VAN DALE). Zie over de andere opvattingen van het woord de wdbb.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
krank  , krank , krank.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
krank , krank , bijvoeglijk naamwoord , in de zegswijze krank in de bolle, niet goed in het hoofd, gek | Je miene toch niet, da’k krank in de bolle ben!
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
krank , krank , kranker, krankste , ziek. Hae is krank en óngezónjt, meh hae vrit wie ’ne sjaopshónjt: de ingebeelde zieke spelen. Krank viere: ziekteverlof hebben.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
krank , krank , kraank , bijvoeglijk naamwoord , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, veroud.). Ook kraank (Zuidwest-Drenthe) = ziek Jaan kun wel krank wezen, ik heb hum al een dag of wat niet zeein (Eex), Ik ben vandage zo krank west as ’n hond (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krank , kraank , bijvoeglijk naamwoord , ziek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
krank , kraank , bijvoeglijk naamwoord , ziek , kraank (du. krank) VB: Vuur dat 'r sjtorf ês 'r mer twie wëke kraank gewès.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
krank , krank , kranker, krankst , ziek , Zoea krank wie einen hóndj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
krank , krank , bijvoeglijk naamwoord , kranke , ziek
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
krank , krank , ziek
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal