elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: krankelijk

krankelijk , krankeliek , bijvoeglijk naamwoord , Gebrekkig, gammel. Het woord is kennelijk een contaminatie van krank en mankeliek.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
krankelijk , krènkelik , krènkelikker, krènkelikste , ziekelijk.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
krankelijk , kraenkelijk , zwaak, zekelijk.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
krankelijk , krénkelik , bijvoeglijk naamwoord , ziekelijk , VB: Altiéd ês ze get krénkelik gewès meh ze ês toch nog 80 woerde.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
krankelijk , [ziekelijk] , krenkelik , ziekelijk
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
krankelijk , krenkelik , bijvoeglijk naamwoord , krenkelike , ziekelijk (Duits: kränklich)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
krankelijk , kruënlik , bijvoeglijk naamwoord , kruënlike , 1. gevoelig 2. breekbaar 3. delicaat 4. kwetsbaar
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
krankelijk , krenkelik , ziekelijk
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal