elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: krats

krats , krats , mannelijk , kratse , krėtske , kras.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
krats , krats , de , geringe hoeveelheid Dat spul is veur een krats te koop weinig geld (Zui), Ik heb an ’n krats genog bijv. weinig eten (Sle), Der zit mor ’n krats meer in de pan (Row), Dei kinder bint mit een krats tevree (Ros), Daor kans doe gien krats mit doun niets (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krats , krats , een beetje.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
krats , krats , zelfstandig naamwoord , de; 1. kleine hoeveelheid, kleinigheid 2. erg lage prijs 3. in de krats kriegen het lazarus (kunnen) krijgen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
krats , unne krats , beetje
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
krats , krats , zelfstandig naamwoord , kratse , kretske , kras, krasje, schram
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
krats , kräötske , kräötskes , (verkleinwoord) vrouwtje, klein , appeltje, misvormd
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal