elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: landen

landen , lande , werkwoord , in de zegswijze alles landt en strandt deer an, iedereen komt daar, men heeft daar geregeld aanloop van allerlei slag mensen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
landen , landen , laanden , zwak werkwoord, onovergankelijk , Ook laanden (Zuidwest-Drenthe) = 1. landen, neerkomen Hij vuul oet de balken en landde hard op de kont op de del (Pdh), Het vlaigtuug kun om de mist nait landen (Eco), De luchtballon is bie os in de gruinte land (Nsch) 2. grenzen (Zuid-Drenthe) Mit de tippe laandt hij an mij (Die), Hij laandt an weerskaanten mit zien grond an de straote (Pes) 3. (Kop van Drenthe), in Kuj wat met hom landen? opschieten (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
landen , lanen , werkwoord , 1. landen: uit de lucht 2. aangrenzend zijn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
landen , lande , lanne , werkwoord , lande, geland , landen , lanne VB: 't Vleemesjien ês öm veer oor dis noon geland.; binnenkomen lande VB: 'm Haf eng sjnaas lande mich dè nog, sjtikzäot.; terechtkomen VB: Oe bis tich geland, ich heb dich al zoe lang neet mie geziën. Zw: 'r Ês geland op 'nne béssemsjtiël: hij is in de streek (dorp) aangekomen zonder enig bezit.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
landen , lanje , lantj, landje, gelandj , landen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
landen , lanje , werkwoord , lanjtj, lanjdje, gelanjdj , landen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal