elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: Lichtmis

Lichtmis , Lichtmis , 2 Febr., veel als tijdsbepaling; om, tegen Lichtmis; ook Gron. Sprw. Tegen Lichtmis hebben de hoenders de brand lös = tegen Lichtmis kan men genoeg brandstof buiten vinden, – Lichtmissen donker, Dan wordt de boer’n jonker, Lichtmissen helder en klaor, Gef ’n good bijenjaar (of: iemenjaor), zooveel als: is ’t in ’t begin van Februari donker weder dan voorspelt dit een goeden oogst; is het dan helder, dan bestaat er uitzicht op een voordeelig honigjaar. – Lichtmis vroeg de zon aan de toren, Dan gaat al het (of: er veel) vlas verloren.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
Lichtmis , lichtmisse , St. Maria Lichtmis. 2 Febr.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
lichtmis , luchtmesse , (Westerwolde) = niet rechtzinnig in de leer, ongeloovig, dus lichtzinnig; eigenlijk = lichtmis; “Nanoom leuft nich an de Drij-ijnhijt; hij is ook al ’n luchtmesse.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
Lichtmis , lechmesn , lechmesn kloar, gef n good iemnjoar, lechmesn nat, gef koorn in t vat, als ’t met Lichtmis helder is, wordt het een goed bijenjaar, als ’t nat en koud is, een goed korenjaar
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
Lichtmis , Lichmissen , Lichtmis.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
lichtmis , lichtmis , lichtmisse , de , lichtmissen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook lichtmisse (Zuidwest-Drenthe, noord) = losbol, lichtmis Een lolbroek of schuinsmarcheerder wordt ook wel een lichtmis enuumd (Wsv), Die vent dat is een lichtmis (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
Lichtmis , Lichtmis , Lechtmes, Lechtmessen, Lichtmisse , de , Ook Lechtmes, Lechtmessen (Zuidoost-Drents zandgebied), Lichtmisse (Zuidwest-Drenthe, zuid) = Maria Lichtmis (2 februari) Lichtmis gungen de knechten weer an boord en worde der weer evaren (Hgv), Met Lichtmissen vrugen de scherensliepers mekaar, waor ze de winter deurbracht hadden dan hadden ze nl. de winter overleefd (Sle), Mit Lichtmis mit de koe hen de bolle, dan hej kalver mit Allerhilleng (Zdw) *Lichtmis helder en klaor / Gef ain goud roggenjaor (Vtm), ...een goed bijenjaor (Dwi), ...hunnigjaor (Hol); Lichtmis donker / Dan wordt de boer een jonker (Sle), ...een pronker (Hijk), ...Lechtmessen lecht / Dan wordt elke boer een knecht (Pdh); Lichtmis somber en donker / Wordt de boer een jonker (Hgv); Lichtmis helder / De boer in de kelder (Row); Lichtmis donker met regen en sliek / Maakt de boeren riek (Zwin); Lichtmis triest weer, goed veur boer en heer (Smi); As de leeuwerik veur Lichtmis zingt, mot e nao Lichtmis zwiegen dan gaat het na Lichtmis vriezen (Bov); Um Lechtmessen wördt der een brug legd of der brek een brug kan het gaan vriezen of dooien (Pdh); Lichtmis het halve voor, d.i met Lichtmis muj het halve voor veur het vee nog hebben (Sti); Mit Lichtmissen hej een vooraovend ewunnen hoeft je niet met kunstlicht te voeren (Zdw); Mit Lichtmissen, dan krabt de kiepen de braand lös kan men buiten weer brandstof vinden (Die); Lichtmis vroeg de zon aan de toren / Dan gaat al het vlas verloren (dva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lichtmis , lichmis , lichmissen , 1. Lichtmis (2 febr.); 2. losbol. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: lichmissen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
Lichtmis , Lichmisn , Maria Lichtmis. (2 februari) Lichmisn helder en klaor, gif ’n goed biejnjaor.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
lichtmis , leechmis , zelfstandig naamwoord , lichtmis , leechmis VB: Mêt leechmis (2 fibberwarie) wörde ién de kërk de kiëtse gewyd. Zw: (zie bij'schaapherder')
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
Lichtmis , lichmis , vervaldag van de jacht
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
Lichtmis , Leechmès , Leechtemès , Maria Lichtmis, op 2 februari
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
Lichtmis , Leechtmès , Maria Lichtmis (2 februari); es mèt Leechtmès de zón op het mèsbook sjienjtj, kruuptj de baer nog drie waeke in zien hol/hoeël – als met Maria Lichtmis de zon tijdens de mis op het missaal schijnt, kruipt de beer nog drie weken in zijn hol (als op 2 februari de zon vroeg schijnt, blijft het nog een paar weken koud)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal