elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: muizenkeutel

muizenkeutel , muizekeutel , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , vgl. een zegsw. op kop.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
muizenkeutel , moezekeutel , mannelijk , moezekeutele , moezekeutelke , muizendrek; muisjes, gesuikerd anijszaad. Beschuit met muisjes, aangeboden bij kraamvisite, geeft wel eens aanleiding tot de vraag van een kind: “Waat is dat”? “Die haet ’t nuut kinjtje gekak” is dan het antwoord. Hae deit angesj niks ės moezeke
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
muizenkeutel , meuzjekuttelkes , anijszaad in suikergoed.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
muizenkeutel , moêzekeutelkes , muúskes.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
muizenkeutel , moezenkeutel , moezekeutel , de , (Zuidoost-Drents zandgebied,Midden-Drenthe). Ook moezekeutel (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = muizenkeutel Der zit vaste moezen, het is allemaol moezekeutels (Bov), Ie bint een kerel as Kas en Kas is een kerel as een moezekeutel (Hoh), Hij hef een harte as een moezekeutel (Vle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
muizenkeutel , môêzekeutel , muizenkeutel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
muizenkeutel , moezekeutel , zelfstandig naamwoord , de; muizenkeutel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
muizenkeutel , moûzekuütelkes , zelfstandig naamwoord , muisjes , (broodbeleg) moûzekuütelkes VB: Es v'r e noûw kênneke kriége ëte v'r besjute mêt moûzekuütelkes.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
muizenkeutel , moezeköttel , (zelfstandig naamwoord) , muizenkeutel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
muizenkeutel , moezekuuetel , (mannelijk) , muizenkeutel , Moezekuuetelkes: muisjes, broodbeleg.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
muizenkeutel , moezekäötel , zelfstandig naamwoord , moezekäötele , moezekäötelke , muizenkeutel; moezekäötelkes – muisjes (boterhambeleg)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
muizenkeutel , moêzekeutelkes , moêzekuuëtelkes , "(verkleinwoord, meervoud) tweede vorm Weerts (stadweerts); anijskorrels/""muisjes"""
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
muizenkeutel , mèùzekeutel , zelfstandig naamwoord , muizekeutel; Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  'dès aander koore', zi de mölder, èn hij bêet in ene mèùzekeutel (Pierre van Beek –  TT '70)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal