elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: murw

murw , murw , gaar.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
murw , meur , broos. Gron. meur, Oostfr. mör = murw, van vleesch gezegd; ook van linnen dat gemakkelijk scheurt.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
murw , meur , murw, zacht, week, sappig, malsch, van vleesch. Ook wordt het van linnen gezegd, dat licht scheurt. Oostfriesch mör = murw, Nederduitsch mör, Middel-Nederduitsch mor, morwe, Kil. morwe, murwe, Oud-Hoogduitsch muruwi, murwi, Middel-Hoogduitsch muruwė, murwe, mürwe, Hoogduitsch mürbe, Zweedsch mör, Deensch mør.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
murw , murw , murf , (bijvoeglijk naamwoord) , Daarnaast murf. Zie de wdbb. Zacht, week. Bij de olieslagerij onderscheidt men murwe en harde lijnkoeken. De murwe worden alleen in het naslag gewarmd, de harde ook in het voorslag. Harde koeken zijn duurzaam, murwe niet; de laatste worden dus alleen voor dadelijk gebruik gemaakt. – Murf wordt ook gezegd van de uitdrukking van het gelaat. || Hij zet zo’n murf (vrolijk, verbaasd) gezicchie. Hij keek zo murf (verlangend) na dat koekie. – Iemand murf maken enz. ook figuurlijk: hem inschikkelijk maken, hem doen toegeven. || Ik zal ’em wel murf maken. Hij wordt al murw. – Vgl. murfpijp.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
murw , meur , bedorven, zwak
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
murw , murf , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , Murw, zacht.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
murw , mörch , mörger, mörchste , murw; zacht, overrijp, week.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
murw , murg , bijvoeglijk naamwoord , zacht (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 93).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
murw , morf , mörf, murf, morg, mörg , bijvoeglijk naamwoord , (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook mörf, murf, morg of mörg = 1. zacht, overrijp van fruit Ik heb van mien tante een morve pare ekregen (Koe), Een appel die een tied in het heui elegen hef, kan zo lekker morg worden (Hav) 2. beurs De appels bint morf deur as ze op de grond evöllen bint (Eli), z. ook meur
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
murw , mörrew , gaar , De érrepel zén mörrew, we kunne zóó begiene meej't eete, zèt de tôffel mér vôst óp. De aardappelen zijn gaar, we kunnen zo beginnen met eten, maak de tafel maar klaar.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
murw , meur , meurs, meurig , bijvoeglijk naamwoord , 1. goed gaar, mals, zacht 2. zacht door het overrijp zijn (van appels, peren) 3. van grond: goed los en daarbij heel geschikt om in te verbouwen, vooral gezegd wanneer de onderliggende stoppel goed rot 4. vermolmd
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
murw , mörrig , bijvoeglijk naamwoord , gaar , mörrig Zw: 'nne mörrig mäoke: stapeldol maken; mals (vlees) mörrig (fr. 'mûr') VB: Gëf mich 'ns e lekker mörrig sjtökske vlèis.; mörrig sjtök rund (deel van een rund); mörrig sjtök; mörrig zién bekaf (zijn) mörrig zién; afgemat (afgemat zijn) mörrig zién
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
murw , murrig , in de uitdrukking “de petaate zen murrig”, “de aardappelen zijn te gaar gekookt”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
murw , murg , murrig , 1. lekker mals, goed gaar; 2. verzadigd; 3. murw, beurs.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
murw , mörf , murw, lamgeslagen , Ich bèn hieëlemaol mörf.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
murw , mörg , bijvoeglijk naamwoord , mörge , zacht, vers: eine mörge(n) haup strónjtj – een verse drol
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
murw , mörf , mörg , bijvoeglijk naamwoord , overrijp; murw
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
murw , mörf , murt , bijvoeglijk naamwoord , zacht, week, verrot; èrte kooke tòt ze mörf zèn; Cees Robben – Vleje-week-vrom waren oew pèère buikzuut.. oew appelesiene mörf.. oewe knolraop vôôs... en oew èèrepel glaozig... steeket zelf mar in oewe kaones... (19680209); WBD III.2.3:33 'murw/murf' = gaar; WBD III.4.4:207 'murw' = bros; Bont bijvoeglijk naamwoord  murw, gaar (van aardappels, vlees en eieren gezegd). ANTW. MÖRG (uitspr.mörrech) bvw.-murw, gaar, genoeg gezoden of gebraden. WNT MURW - week, zacht, niet hard, niet vast; malsoh, fijn, niet grof...; murt; WBD III.2.3:159 'murt' = rot (fruit), ook 'voos', 'verrimpeld'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal