elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: naaktheid

naaktheid , näoksighèid , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , - , - , naaktheid , VB: Fôj, fôj, wat 'n näoksighèid, dy vrollûi mêt die bloetse erm (vero.)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
naaktheid , [naaktheid] , naaksigheid , (vrouwelijk) , naaktheid , ‘Mót det noe, al die naaksigheid oppe televisie!’ zag moder.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
naaktheid , naaksigheîd , naaksigheid , bloot, blote mannen en vrouwen; oppe tillevisie zuus se allewieles niks es naaksigheîd – op de tv zie je tegenwoordig alleen maar bloot ook bloeëtigheîd
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
naaktheid , naaksigheid , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , naaktheid
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal