elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nattig

nattig , nattigig , bijvoeglijk naamwoord , Enigszins nat. | ’t Voelt nattigig an.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
nattig , nattig , bijvoeglijk naamwoord , 1. vochtig De muren binnen aordig nattig (Rod), Het is daor nattige grond, beter geschikt veur gruun as veur bouw (Sle) 2. regenachtig Het is wat nattig, echt regen döt het niet (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nattig , naetsig , bijvoeglijk naamwoord , naetsige , nattig, vochtig. Afgeleid van naât (Duits: nässlich)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal