elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: Neer

neer , neer , neerde , "’t deel of plaats in den stal bij de deur; neerdeur = staldeur."
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
neer , neer , (bijwoord) , neder.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
neer , neer , bijwoord , (wordt buiten de steden als ABN ervaren en (nog) weinig gebruikt naast deel) = naar beneden, neer Leg dat daor maor neer (Vle), Het komp op hetzölde neer (Hgv), Ik heb mij der mor bij neerlegd (Odo), Is ze daor in de kost? Antw. Nee, ze reist op en neer heen en weer (Noo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
neer , nere , stal en schuur van een boerenhuis.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
neer , neer , neer
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
neer , neer , uitdrukking , Da’ kind blijf in de neer Dat kind blijft achter in zijn groei-ontwikkeling
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
neer , neer , uitdrukking , Hij zit in de neer Hij zit in de put
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
neer , neer , bijwoord , neer , Zit dich neer: ga zittten Zw: Dè hèt zich neer gedroonke: hij heeft zijn gezondheid door de drank ernstig geschaad. Zw: Dè kalt dich neer: hij blijft met je praten, tot vervelens toe. Zw: V'r laoge neer van 't laachte: krom. Zw: De môs mer mêt dè op en neer goën: zijn voorbeeld navolgen (meestal in ongunstige zin gezegd); krom (van het lachen) neer van 't laachte
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
neer , nir , neer
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
neer , néér , zelfstandig naamwoord , dar, mannelijke honingbij (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
Neer , [toponiem] , Naer , Neer
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
neer , nieër , neer
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
Neer , Naer , Neer
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
neer , naêr , zelfstandig naamwoord, mannelijk , dar
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
neer , neer , voorzetsel , (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) neer
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
neer , nieër , bijwoord , (Weerts (stadweerts)) neer
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
neer , nir , tenir , bijwoord , Henk van Rijen: neer, terneder; Dirk Boutkan:  (blz. 41) 'neer/ nir' als ww-deel
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal