elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nier

nier , niere , (vrouwelijk) , nieren , nier; hé hef ’t vör de nieren, hij gaat dood.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
nier , nieren , in: ’t veur de nieren hebben = ernstig ongesteld zijn, bv. aangetast door eene zware en verouderde koudevatting. Ook = zwanger zijn, zoowel van meisjes als van getrouwde vrouwen gezegd. Zegswijs: ’t gait mie deur hart en nieren = het snijdt mij door het hart, ’k heb er hartzeer van.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
nier , nîren , nieren , Het vör de nîren hebben – ʼt Beet hebben, ziek zijn. H(i)ee hef ʼt lélek vör de nîren – hij is ernstig ziek.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
nier , nîren , ʼet vö̂r de nîren hebben – Het beet hebben, ziek zijn. H(i)ee hef ʼt lèlek vö̂r de nîren – hij is ernstig ziek.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
nier  , neer , nier.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
nier , nüüre , vrouwelijk , nier
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
nier , niere , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , niern , nierkn , nier
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
nier , neier , vrouwelijk , neiere , neierke , nier.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
nier , knier , kniere , de , knieren , (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe). Ook kniere (Zuidwest-Drenthe in bet. 2.) = nier (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, ti) Dat kind hef het met de knieren te doen het mot levertraon hebben (ti), Der zat een knier in het plukvet (Ros)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nier , nier , niere , de , nieren , Ook niere (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = nier Die mot veurzichtig wezen, want hij hef maor een nier (Dro), Hie het het an de nieren (Erf), Ik heb wal ies heurd dat die vrouw een wandelende nier hef (Oos), Met een slachterij wuurden de nieren kokt en dan koold op de stoete etten (Pdh), Hie hef het veur de nieren is erg ziek (Sle), Vrogger kreej het an de nieren deur pompwater vanwege loodvergiftiging door de loden buis (Zdw) *Nier is een arm dier / Zit in het vet / En nemp niks met (Eel), ...rondom in het vet / En blif maoger (Wed)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nier , niere , nier
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
nier , niere , nier. Met iene niere kuj lèèvm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
nier , niere , zelfstandig naamwoord , de; bep. lichaamsdeel: nier
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nier , neer , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , neere , neerke , nier , VB: Dè ês al 'nne gaansen tiéd aon 't sukkele, ze hebben 'm 'n neer oétgenoëme.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
nier , niejer , nier
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
nier , niere , (zelfstandig naamwoord) , nier.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
nier , neer , (vrouwelijk) , nere , neerke , nier , Get ane nere höbbe.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
nier , neer , zelfstandig naamwoord , nere , neerke , nier
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
nier , neer , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , nere , neerke , nier
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
nier , naer , naere , nier
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal